Fresh Bloemen & Planten Tuinontwerp Beet Duiken Rovers Karper Mama Wetenschap in beeld Historia GoodFood Hart voor dieren

Wellness voor de weide

Gestresste ruiters gaan naar de sauna of laten hun stijve spieren lekker masseren. Maar ook de wei heeft regelmatig een onderhoudskuur nodig.
 
Tekst: Eva-Maria Recker / Foto’s: Ilja v.d. Kasteele, Holger Schupp

 
Een paard is geen grasmaaier. Bij de motormaaiers uit de bouwmarkt kan de snijhoogte tot op de millimeter worden ingesteld om het gras optimaal te kortwieken. De Schwarzwälder Fuchs Obelix is niet zo pietluttig. Hij bijt en trekt en eventuele verliezen zullen hem een worst wezen. Hij is genadeloos en gaat door tot op de grasnerf. Helaas bevordert een korte grasnerf de groei van witte klaver. En die is in grote hoeveelheden niet gezond voor Obelix.
Witte klaver veroorzaakt namelijk diarree en stofwisselingsproblemen. Obelix lijkt een slechte weidebewoner te zijn: hij is kieskeurig en maakt echt van die looppaden waar geen gras meer wil groeien. In de buurt van de paardentoiletten op de wei wil hij al helemaal niet meer eten. Daar is de overlast van parasieten dan ook sterk groeiend. Als hij zou mogen kiezen, dan zou Obelix zestien uur per dag grazen en daarbij een afstand van meer dan tien kilometer afleggen. Geen wonder, dat er op sommige weides al na een paar weken geen gras meer groeit. Om dit te voorkomen, moeten tijdig maatregelen worden genomen. Maar hoeveel paarden kunnen er in één wei? Principieel geldt dat twee volwassen warmbloedpaarden per jaar een vlakte van een hectare nodig hebben.
  
Weidetypes
Een bereik van vierhonderd vierkante meter is voldoende om gedurende twee weken twee paarden vijf uur lang in de weide te laten. Heb je geen alternatief voor de weide? Dan is bijvoeren een goede alternatieve optie. In onze regio’s duurt het weideseizoen van begin mei tot eind oktober. Gedurende de koude jaargetijden groeit het gras niet meer vanwege gebrek aan zonlicht en door te lage temperaturen. Bij vochtig weer beschadigen de paarden het weiland behoorlijk. Daarom zijn de meeste weilanden de hele winter door gesloten voor viervoeters. Paarden die wel het hele jaar door in de wei mogen, zijn een uitzondering. Daarbij komt dat het weidetype een rol speelt bij de planning.
Het weidetype wordt niet alleen bepaald door het klimaat, maar ook door de wateromstandigheden en bodemsoort. Voor Obelix en zijn maatjes is een kruidengraswei geschikt, omdat die met verschillende plantensoorten voldoende selectiemogelijkheden biedt en daarmee voor een uitgebalanceerde voeding voor het paard zorgt.
  
Optimale grasmat
Weilanden waarin voornamelijk kruiden staan, zijn minder geschikt voor paarden. Deze weides bieden weliswaar veel eiwitten en mineralen, het paard krijgt onvoldoende energie en ruwe vezels binnen. Sommige inhoudsstoffen van kruiden die in grote hoeveelheden worden gegeten, kunnen tot behoorlijke gezondheidsproblemen leiden. Weilanden zonder kruiden, die dus uitsluitend uit raaigras bestaan, zijn eveneens ongeschikt, omdat ze teveel suiker en daarmee te energierijke grassen bieden. Hiervan worden paarden al snel te dik en het gevaar van hoefbevangenheid is groter. Voor koeien zijn zulke weides echter prima.
Let op als er veel klaver in de wei staat. Klaver bevat weliswaar weinig ruwe vezels, maar des te meer eiwitten. In de nazomer kunnen fruitbomen problematisch zijn, omdat dan het genot van teveel fruit dreigt, naast het feit dat er vaak wespen zitten op het fruit dat op de grond ligt. Om te voorkomen dat de wei bedekt is met verkruid en onverzorgd groen, moeten enkele voorzorgsmaatregelen worden getroffen. Als eerst is bodemonderhoud aan het begin van het jaar noodzakelijk om de door hoeven veroorzaakte schade te verhelpen en de molshopen te verwijderen. Want als Obelix met zijn 650 kilo wegende lichaam tijdens een vrolijk spelletje op de wei plots bij de omheining moet afremmen, ontstaan er hier en daar behoorlijke gleuven. Gelukkig wil Obelix’s eigenaresse een geschikte wei voor haar paard en geen golfterrein vol kuilen en obstakels. 
 
Onderhoud
Het zogenaamde weideslepen zorgt voor de beluchting van de wei. Afgestorven en vervilt gras wordt uitgekamd. Een tractor en een verticuteermachine zijn hiervoor geschikte hulpmiddelen. Het moment waarop het gevaar van nachtvorst is geweken, maar de grasgroei nog niet is begonnen, is het ideale moment om de weide een onderhoudsbeurt te geven. Het verwijderen van de mest is een van de belangrijkste voorzorgsmaatregelen, omdat dit het ontstaan van paardentoiletten en overmatige aantasting door parasieten voorkomt.
Hoe vaker de mest uit de weide wordt verwijderd, hoe beter. Zo kun je voorkomen dat kevers, vogels en het weer de mesthopen uit elkaar halen en daardoor parasieten en geur- en inhoudsstoffen van de mest worden verspreid. Vaker ontwormen is geen alternatief voor regelmatige verwijdering van de mest. Na de wissel naar een andere wei, kan de wei nog eens worden gemaaid. Er moet een snijhoogte van zes tot acht centimeter worden aangehouden. Het gemaaide gras moet worden verwijderd. Na het eerste uitlopen van de planten kan voor de eerste keer in het jaar worden gemaaid. Als in de herfst nog eens wordt gemaaid, bevordert dat de wintervastheid van de grasnerf. Om ongewenste planten van de wei te verwijderen, moeten deze met wortel en al worden uitgestoken.
 
Doping voor het gras
Bij weidemanagement hoort bemesten. Want wat de grond aan voedingsstoffen verliest, moet hij ook weer terugkrijgen. Elke wei heeft verschillende behoeften, die afhankelijk zijn van klimaat, vegetatie en ligging. Alvorens zomaar te gaan bemesten, is het zinvol om te weten wat de grond nodig heeft. Een bodemanalyse geeft antwoord op deze vraag. Sigrid Johanning van de Landwirtschaftlichen Untersuchungs- und Forschungsanstalt legt uit: “Een zinvol resultaat krijg je alleen wanneer het grondmonster correct wordt genomen. Dit moet in de periode tussen de herfst en het voorjaar worden gedaan en niet na de bemesting.”
Met een spade of een boorstok wordt per een tot twee hectare op twintig tot veertig verschillende plekken ingestoken. Dat mag niet op plaatsen gebeuren waar de paarden vaak mesten of plassen. Uit het maximaal tien centimeter diepe gaatje wordt met een lepel in totaal vierhonderd gram grond genomen. Deze grond wordt in een plastic zakje gedaan en naar het onderzoeksinstituut gestuurd. Een aanbeveling voor correcte bemesting is in de onderzoeksprijs inbegrepen. Vrijwel nooit hoeft een wei compleet nieuw ingezaaid worden of de oude grasnerf worden verwijderd. Meestal is nazaaien voldoende. Veel waardevolle grassen maken geen kans tegen de oude grasnerf en daarom wordt vaak raaigras gebruikt. Bij het inzaaien wordt onderscheid gemaakt tussen preventief inzaaien en nazaaien om tekorten aan te vullen. Het aanbod aan grassoorten is enorm. Alleen al van het raaigras bestaan meer dan tachtig goedgekeurde soorten.
  
TIP van Annemarie van der Toorn
Je ziet soms in de wei plekken ontstaan waar paarden het gras niet meer willen eten. Vaak is in deze weides de mest niet voldoende weggehaald. Het kan een idee zijn om van de buren of een kennis even een aantal schapen te lenen. Je moet dan wel opletten dat ze niet het weiland uit kunnen! De schapen zullen al het gras weer netjes egaal afeten. Het resultaat? Je weiland zal er weer op en top uitzien. Vaak zie ik weides waar paarden, schapen, koeien en geiten bij elkaar lopen. Let wel op dat de schapen en de geiten de staart van je paard niet opeten, dat wil namelijk nog wel eens gebeuren. Er is een speciaal product te koop dat je in de paardenstaart kunt spuiten, wat een hele vieze smaak geeft. Dan zullen de schapen en geiten het wel laten om aan de staart te knabbelen!
  
TIP van Annemarie van der Toorn
Uit onderzoek is gebleken dat bijna alle paarden een wormbesmetting hebben. Een goed ontwormschema is dan ook heel belangrijk. Tegenwoordig kun je de ontwormingsmiddelen alleen nog maar verkrijgen via de dierenarts. Deze regel is ingesteld omdat niet iedere paardeneigenaar wist wanneer welke kuur het best kon worden gebruikt, met het vervelende gevolg dat sommige wormen niet meer gaan reageren op het middel. Overleg dus altijd met je dierenarts welk middel je wanneer moet geven.