Fresh Bloemen & Planten Tuinontwerp Beet Duiken Rovers Karper Mama Wetenschap in beeld Historia GoodFood Hart voor dieren

Hoe herken je goed smeedwerk?

Als het om de hoeven gaat, moeten de meeste paardeneigenaren op hun hoefsmid vertrouwen. Hier lees je waaraan je een goede hoefsmid kunt herkennen.
  
Tekst: Kerstin Deeken / Foto’s: Holger Schupp, PR/Eugen Ulmer Verlag, Privat
  
Fjord Arthus staat er heel nonchalant bij op de poetsplaats. Hij kijkt geduldig naar de nieuwe man die zijn hoeven raspt. De achtjarige ruin is afwisseling gewend, want dit is al de derde hoefsmid in twee jaar tijd. Bij de eerste kandidaat brokkelden Arthus’ hoeven af, bij de tweede werd dat probleem minder, maar werden de verzenen met elke keer platter. En nu mag de derde hoefsmid zijn kunde bewijzen. Dat is natuurlijk niet zo makkelijk te beoordelen voor de eigenaresse van Arthus. Want een leek kan fouten bij het beslaan maar moeilijk herkennen. Toch zijn er een paar punten die uitmaken wat een goede hoefsmid is.
  
Nog voordat je hoefsmid je paard onder handen neemt, kun je al beginnen hem te beoordelen. “Een goede smid wil eerst zoveel mogelijk weten over zijn vierhoevige klant”, aldus Uwe Lucas uit Warendorf, een erkende en FN-gediplomeerde hoefsmid. “Hij wil alles weten over hoe het paard wordt gehouden, over zijn leeftijd, wat ermee gedaan wordt en de eigenaardigheden, ziektes en gesteldheid van de hoef.” Aansluitend bekijkt de smid de lichaamsbouw van het paard, de hoefstructuur en de stand van de hoeven, (onder)benen en voet. “En dat niet alleen bij het stilstaande paard, een goede hoefsmid laat het paard ook in stap en draf lopen”, benadrukt Lucas. Als de smid de ijzers eraf haalt, zou hij eerst even naar de oude ijzers moeten kijken. De slijtage van de ijzers toont namelijk aan of het paard gelijkmatig afrolt over de voet of dat er bepaalde punten ontlast zouden moeten worden. Daarna pas gaat hij de hoef bekappen – dat is de basis voor het latere beslag. De nagestreefde vorm van de hoef is afhankelijk van de individuele de stand van de voeten van het paard.
  
Duidelijke richting
Bij het inkorten van de hoef schrijft de stand van het kootbeen de mate van de hoek voor. “De toon en het koot-, kroon- en hoefbeen moeten daarbij op een denkbeeldige lijn staan”, aldus Jan Gerd Rhenuis uit Wedemark, eveneens een erkende en FN-gediplomeerde hoefsmid en ruiter (IJslanders). De hoefwand verloopt parallel aan deze lijn. Bij een weke kootstand kunnen de hoeven vlakker en toch correct zijn. Op deze manier worden de pezen, ligamenten en gewrichten niet overbelast. De kootstand wordt ook vanaf de voorkant gecheckt, waarbij er een rechte lijn van het kootgewricht naar het midden van de toon zou moeten lopen. Ook de ronding van de hoef wordt door het paard zelf bepaald. De kroonrand toont namelijk aan of de hoef eerder rond of ovaal moet zijn. De zool en de straal worden uitsluitend schoongemaakt en bevrijd van eventuele plekjes met rottend hoorn, ongeacht of het paard op ijzers staat of niet.
  
Als de straal te kort wordt bekapt, verliest hij zijn functie van schokdemper en deel van het hoefmechanisme. Hoeven met ijzers moeten sterker ingekort worden en afwijkingen van de stand van de voeten moeten worden gecorrigeerd, omdat de hoeven niet natuurlijk slijten.
  
“Zware ingrepen in de biomechanica van de aparte ledematen moeten echter worden voorkomen”, benadrukt Lucas, die in zijn revalidatiekliniek in Warendorf en in de dierenkliniek Münster Telgte dagelijks probleemgevallen en foutieve standen behandelt. “Correcties moeten altijd in kleine stappen worden doorgevoerd. Als de hoef te sterk wordt ingekort, worden de hoeven namelijk erg gevoelig.” Na het bekappen begint het smeedwerk. Normaal gesproken worden hoeven warm beslagen, het ijzer wordt in verhitte toestand aan de hoef aangepast. Dat gaat met een warm ijzer veel makkelijker en preciezer dan bij koudbeslag. “Daarnaast is de smid bij het tijdrovende koudbeslag eerder geneigd om te zeggen dat het past”, verklaart Uwe Lucas de risico’s. Het ijzer wordt in warme (niet in gloeiende toestand!) op de hoef gebrand. “Daarbij worden de pasvorm en de positie van de nagelgaten gecontroleerd”, legt Jan Gerd Rhenius uit. Teveel rook is daarbij absoluut niet nodig, maar is eerder een teken dat het ijzer of te heet of te lang opgebrand wordt. Dit droogt het hoorn uit en kan scheuren en rotting veroorzaken. Bovendien bestaat het risico dat de hoeflederhuid gaat ontsteken.
  
Speelruimte voor de hoefAls het ijzer is aangepast, moet het vanaf de toon tot aan het breedste gedeelte van de hoef precies passend onder de hoef lopen. Vanaf dat punt loopt het ijzer zo naar achteren dat de verzenen voldoende ruimte hebben en het hoefmechanisme zijn werk kan doen. Met elke stap wordt de hoef breder en trekt het zich weer samen. De takken van het ijzer mogen achter niet te kort zijn. Alleen op die manier is een gelijkmatige belasting en vooral ontlasting van de pezen mogelijk. Uwe Lucas raadt aan om de ijzers voor minstens acht tot twaalf millimeter aan de achterkant te laten uitsteken. “Het beslag mag nooit enger of korter worden als de paarden hun ijzers verliezen, de oorzaken moeten worden opgespoord en verwijderd”, benadrukt de 49-jarige smid.
  
De juiste richting van de toon, een opzet in de voorijzers, zorgt ervoor dat het paard zijn voet gemakkelijk over de toon kan afrollen. Ook dat betekent een ontlasting van de pezen en ligamenten en voorkomt balbetrapping, de voorbenen kunnen namelijk sneller worden opgetild omdat ze over de voet kunnen afrollen. Als het ijzer correct zit, liggen de nagelgaten precies op de witte lijn, de verbinding tussen zolen en de hoefwand. Alleen daar mag genageld worden. “Als men verder naar het midden van de hoef nagelt, kan dat tot druk, kneuzingen en tot blessures aan de hoeflederhuid leiden, de alom bekende vernageling”, vertelt Jan Gerd Rhenius. “Als de smid te ver aan de buitenkant in de harde hoornwand nagelt, leidt dat al gauw tot inscheuren van het hoorn.” Een vernageling hoeft trouwens niet per se te bloeden. In principe mogen niet meer nagels worden gebruikt dan nodig. Helaas meten veel paardeneigenaren de kwaliteit van een beslag nog steeds aan de duur dat het beslag goed blijft zitten. Daarom worden vaak te veel nagels en te korte ijzers gebruikt. Als de smid klaar is met zijn werk moet de hoef zonder uitstekende nageluiteinden en mooi glad afgewerkt vanaf de kroonrand naar de zool lopen. De ijzers worden door de hoefsmid meestal mooi afgerond aan de buitenkant.
  
De smid verzoekt de eigenaar om het paard nog eens te laten lopen en hij controleert hoe het paard over de voet afrolt. Als een paard net is beslagen, vindt een leek het er al gauw goed uitzien. Maar of de ijzers echt goed zijn aangebracht, kun je pas aan het eind van de beslagperiode beoordelen. Verschuift er iets? Groeit de hoef over het ijzer heen? Struikelt het paard, strijkt of vangt het zichzelf? Dat zijn allemaal tekenen dat er iets niet klopt, maar ook dat er nodig moet worden beslagen. Wie het bezoek van de hoefsmid onnodig doorschuift, vraagt om problemen. Want een ding is zeker: de duur dat een ijzer onder de hoef blijft zitten is niet echt een criterium voor goed smeedwerk.