Fresh Bloemen & Planten Tuinontwerp Beet Duiken Rovers Karper Mama Wetenschap in beeld Historia GoodFood Hart voor dieren

Gaat jouw paard naar de tandarts?

Het paard is een planteneter (herbivoor) die zo’n zestien uur per dag besteedt aan grazen en het fijnmalen van voedsel. Dat is goed zichtbaar in de opbouw van zijn gebit. Met name de kiezen, die een maalfunctie hebben, zijn bij een paard sterk ontwikkeld.
 
Tekst en foto’s: Drs. E.L.G. Hermens

 
Paarden hebben net als wij mensen melktanden, die later vervangen worden door blijvende tanden. Ook hebben paarden in de boven- en onderkaak zes snijtanden. Ruinen hebben vaak hoektanden, merries hebben deze tanden soms. Alle paarden hebben aan elke zijde in de boven- en onderkaak zes kiezen. Soms zien we voor de eerste grote kies, meestal in de bovenkaak, een klein extra tandje, de zogenaamde wolfstand.
 
Als alle tanden van het paard volledig gewisseld en uitgegroeid zijn, is het paard ongeveer zes jaar oud. De tanden hebben lange wortels en gedurende de verdere levensjaren zullen de tanden steeds iets verder de mond uit groeien. De tanden blijven dus het hele paardenleven lang verder naar buiten groeien. Als een paard jong is, gaat dat met ongeveer 4 millimeter per jaar, op latere leeftijd neemt de groei langzaam af. Doordat de tanden aan de bovenzijde afslijten door de kauwbewegingen die het paard maakt, zal de slijtage van de tanden meestal gelijke tred houden met de groei.
 
Slijtage
Dat de leeftijd van een paard redelijk nauwkeurig bepaald kan worden aan de hand van het gebit, komt doordat de tanden van een paard op redelijk vergelijkbare leeftijden wisselen en doordat de binnenkant van het snijvlak op redelijk vaste leeftijden een bepaald herkenbaar patroon vertoont. Als we het oppervlak van de tanden bekijken, zien we dat de paardentand een sterk geplooide buitenzijde van hard emaille heeft. Daartussen zit het wat zachtere dentine. Dit oppervlak van de kiezen is uitstekend geschikt om het voedsel van het paard fijn te malen. Soms staan onder- en boventanden van een paard niet precies goed boven elkaar. En ook bij het ouder worden, kunnen het slijten en de positie van de tanden wat veranderen. Wanneer het slijten van de tanden niet goed regelmatig verloopt, kunnen er scherpe randen aan de boven buitenzijde en de onder binnenzijde van de kiezenrij ontstaan. Hierdoor kan het slijmvlies van de wang of de tong beschadigd raken. Ook kunnen er haken aan de voor- en achterzijde van de kiezenrijen ontstaan. Deze scherpe randen moeten dan worden bijgevijld.
 
Tussen de kiezen kunnen vuil of voedselresten gaan zitten, wat tot ontsteking van het tandvlees kan leiden. Ook het oppervlak van de tand kan bij het zachte dentine beschadigingen gaan vertonen, waardoor de tand gaat ontsteken. Als deze ontstekingen doorlopen tot in de diepte, kan de wortel aangetast raken, er ontstaat een wortelpuntabces en ten slotte kunnen vanuit de wortel zelfs de holten in het kaakbot en schedelbot geïnfecteerd raken. Een tand met een wortelpuntabces zal bijna altijd verwijderd moeten worden. En dat is, gezien de lengte van de wortels, nog best een ingreep. Als er door operatie, verwonding of ouderdom een tand verloren is gegaan, zal de tegenoverliggende tand natuurlijk niet meer zo goed kunnen afslijten. Een dergelijk gebitselement verdient dan extra aandacht en moet mogelijk regelmatig wat worden afgevijld.
 
Gezondheidsrisico’s
De al eerder genoemde kleine wolfstandjes (niet te verwarren met de ruinentanden of hoektanden, die soms ook bij merries voorkomen) ontwikkelen zich bij ongeveer zeventig procent van de paarden, meestal voordat ze een jaar oud zijn. In het algemeen hebben de paarden er geen last van, maar toch worden ze vaak verwijderd omdat ze eventueel in combinatie met een bit wat last kunnen gaan veroorzaken.
Als een paard proppen kauwt of slecht wil eten, mager wordt, stinkt uit zijn mond of neus, veel speekselt en/of eten laat vallen tijdens het kauwen, wordt er al snel aan tandproblemen gedacht. Maar ook minder duidelijk zichtbare tandproblemen kunnen veel gevolgen hebben. Als het voedsel niet voldoende fijn wordt gemalen door lichte gebitsproblemen, zal dat invloed hebben op de vertering en stofwisseling. Ook bij lichte chronische ontstekingen van het tandvlees of de tanden, zal dit gevolg kunnen hebben voor de weerstand en algemene gezondheid van het paard. Door deze ontstekingen kunnen bacteriën in de bloedbaan terechtkomen die weer elders in het lichaam voor problemen kunnen zorgen, zoals hartklepontsteking.
 
Hoewel tandproblemen veel lichamelijke problemen kunnen veroorzaken zijn er ook specialisten die het eigenlijk een beetje omkeren. Zij beweren dat, als je paard tandproblemen heeft, dit vaak het gevolg is van problemen elders in het lichaam. Pijn in het voorbeen en de hals bijvoorbeeld kan ervoor zorgen dat het paard zijn hoofd scheef houdt bij het eten en daardoor zijn tanden anders belast, waardoor eventueel haken kunnen ontstaan. In ieder geval verdient het aanbeveling om bij tandproblemen en zelfs lichte afwijkingen aan het gebit het gehele paard aan een goede inspectie en beoordeling te onderwerpen.
Al met al voldoende redenen om regelmatig de tanden van je paard te laten controleren. En dan liefst zo grondig mogelijk. Een goede inspectie bestaat uit meer dan alleen in de mond kijken met een lampje. Het best zou zijn om dat met een endoscoop te doen. Dat is een camera waarmee goed in alle plekken van de mond gekeken kan worden. Met een goede mondsperder kan de mondholte goed worden bekeken, kunnen verdachte plekken gesondeerd worden en kan er met instrumenten gevoeld worden aan tand en tandvlees. Met een camera kunnen ook beelden vastgelegd worden, zodat die bij een volgende controle vergeleken kunnen worden. Zo vallen onregelmatigheden nog eerder op.

Hieraan kun je gebitsproblemen tijdens het rijden herkennen
-    Kantelen hoofd
-    Schudden hoofd
-    Sterk in de mond
-    Bit niet willen aannemen
-    Bit vastpakken
-    Op het bit kauwen
-    Tong uit de mond
-    Tong over het bit heen
-    Mond niet willen openen
-    Niet/moeilijk nageven
-    Slechte buiging
-    Achter de loodlijn lopen
-    Staken
-    Bokken
-    Steigeren
-    Kreupel/onregelmatig lopen
 
Hieraan kun je gebitsproblemen tijdens het eten herkennen
-    Voedselproppen
-    Knoeien met eten
-    Met de mond open kauwen
-    Langzaam kauwen
-    Mond moeilijk ver kunnen openen
-    Aan één kant kauwen
-    Niet/slecht willen eten
-    Hoofd scheef houden
-    Drinken tijdens eten
-    Eerst hooi, dan brokken eten
-    Op en neer kauwende beweging