Fresh Bloemen & Planten Tuinontwerp Beet Duiken Rovers Karper Mama Wetenschap in beeld Historia GoodFood Hart voor dieren

Vincent Voorn: ‘De paardensport is hard werken’

Vincent Voorn: ‘De paardensport is hard werken’ Vincent Voorn is al lang geen onbekende meer in de paardensport. De zoon van springruiter Albert Voorn ontwikkelde zich in korte tijd van onbekende voetballer tot talentvolle paardenman. De redactie van ROS zocht hem op.
  
Om op topniveau te kunnen springen, moet een paard over ongelooflijke kwaliteiten beschikken. Niet alleen de bespiering moet goed zijn, het paard moet ook een sterk karakter hebben. Hij moet goed kunnen springen én de paal niet willen raken.” Vincent Voorn neemt direct plaats op zijn praatstoel, wanneer wij hem bezoeken op De Margaretha Hoeve in Dinteloord, zijn vaste trainingsstal. ‘De zoon van…’ heeft zich in zeer korte tijd ontwikkeld in de paardensport. Veertien jaar geleden interesseerde hij zich nog totaal niet voor de sport, maar nu heeft hij al diverse mooie prijzen op zijn naam staan. Zo gooide hij hoge ogen in onder andere Gijon (2001), Schaffhausen (2005) en Mannheim (2007) en mocht hij in 2008 zelfs deelnemen aan de Olympische Spelen in HongKong.
“Toen ik klein was, was voetbal mijn grote passie. Ik kon een aardig balletje trappen en speelde als spits, linksvoor. Ik ben namelijk linksbenig. Ik denk dat ik zeker vier keer in de week ging trainen, plus de wedstrijd in het weekend. Tot mijn veertiende. Toen ik merkte dat mijn team niet dezelfde gedrevenheid had als ik, minderde het voetballen. Ik hielp mijn moeder steeds vaker op stal en kreeg daar steeds meer plezier in. Je weet wel hoe dat gaat, ik ben langzaam de paardensport ingerold.”
  
Een goede voorbereiding…
Vincent kreeg vanaf dag één begeleiding van zijn vader, Albert Voorn. “Het rijden ging al snel vrij goed. Ik reed en sprong thuis regelmatig, had alles om me heen om snel progressie te kunnen boeken.” In die tijd woonde de familie Voorn nog in Someren. “Vlakbij, in Asten, lag Manege Heijligers. Op donderdagavond kon je hier komen oefenspringen, iets wat ik graag wilde proberen. Toen ik mijn vader hiernaar vroeg, antwoordde hij dat ik hier nog niet klaar voor was. Want kon ik al vlechten? Nee. Onverzorgd op een wedstrijd verschijnen, ook al was het ‘maar’ oefenspringen, was volgens hem een zonde. Dus toen heb ik een week lang na schooltijd twee paarden ingevlochten, totdat ik het vlechten onder de knie had. Maar ook toen was Asten nog geen optie. Ik moest eerst nog leren bandageren, op mijn vaders manier. Ik moest leren de bandages er niet zomaar omheen te draaien, zoals sommigen nog wel eens doen, maar alles moest gelijkmatig verdeeld zijn. Toen kwam de winter en moest ik streeploos leren scheren. En toen kwam Asten, eindelijk.”
 
Omdat Vincent thuis al veel ervaring had opgedaan, startte hij zijn carrière in de B. “Omdat ik nooit bij de pony’s had gereden, moest ik eerst mijn winstpunten halen in de B-dressuur. Omdat ik zo eigenwijs was, heeft het wel een wedstrijd of zes, zeven geduurd voordat ik twee winstpunten had behaald. Toen ben ik in de B gaan springen. In twee jaar tijd heb ik het hele traject van B. L, M, Z en ZZ doorlopen.”
  
Toekomst of zeepbel?
“Ik moet eerlijk zeggen dat zowel ik als mijn ouders zich na twee jaar afvroegen of ik het paardrijden wel echt onder de knie zou krijgen”, gaat Vincent verder. “Ik was bepaald geen lefgozer. Bovendien was ik pas op latere leeftijd begonnen met rijden. Natuurlijk had ik vroeger wel wat rondgescheurd op een pony, maar vanaf dat ik naar de basisschool ging tot mijn veertiende, had ik niet meer naar de paarden omgekeken. Om dan goed te leren rijden en om een goed ritmegevoel te ontwikkelen, is echt een hele opgave. Daar had ik best moeite mee, evenals met het inschatten van de afstanden tussen de hindernissen. Er zijn vele momenten geweest waarop ik en mijn ouders dachten: ‘dit wordt nooit wat’.”
Toch besluit Vincent op zijn zestiende, wanneer hij zijn middelbare schoolperiode heeft afgesloten en zijn timmermansopleiding heeft afgerond, om de paardensport een kans te geven. “Het was een nu of nooit moment. Ga ik doorleren voor timmerman? Of wil ik me richten op de paardensport? Aanvankelijk was dit een moeilijke keuze. Je moet wel heel goed zijn als ruiter of je kunt de kost beter op een andere manier verdienen. Ik koos uiteindelijk voor de paarden. En ineens zat ik hele dagen in het zadel, waardoor mijn rijden met sprongen verbeterde. Binnen een jaar reed ik mijn eerste EK bij de jeugd.”
Een jaar later verschijnt Vincent aan de start in Mechelen, bij de junioren. “Toen ik werd uitgenodigd voor Mechelen, had ik echter geen goed paard. Daarom kreeg ik Kwidanta van de Laarse Heide (Quidam de Revel x Ramiro Z) van de familie Zandbergen eenmalig te leen. Mijn vader reed een aantal paarden voor deze familie, waaronder ook Kwidanta. Een toppaard. Met hem reed ik direct 1.40m en eindigde ik bij de eerste vijf. Op een paard dat ik pas twee weken onder het zadel had! Vanwege ons succes mocht ik Kwidanta blijven rijden tot het EK.”
  
Olympische Spelen
Op zijn 21e wordt Vincent Europees kampioen bij de Young Riders. Twee jaar later wint hij met het Nederlandse team goud op het Europees kampioenschap voor senioren in Mannheim. “Een unieke prestatie toen, de laatste keer dat Nederland deze wedstrijd won was dertig jaar geleden.”
Een jaar later verschijnt Vincent op de Olympische Spelen van HongKong. “Daar ging ik met een goed gevoel naartoe, maar helaas zijn de Spelen voor mij geëindigd in een drama. Waar het aan heeft gelegen, weet ik nog steeds niet. Mijn paard was het beste landenwedstrijdpaard van Nederland, toen. Bovendien hadden we een fijne aanloop naar de Spelen toe. De eerste dag waren we nul, dat was ook top. Maar op de tweede dag kwamen er fouten die ik niet kon verklaren. Mijn paard werd wat te sterk, maakte fouten die hij het jaar daarvoor nog niet had gemaakt. En mijn gedrevenheid om onze fouten te herstellen, werkte averechts. Uiteindelijk ging ik allemaal dingen doen die ik nooit had moeten doen. Ik ging anders rijden, was meer bezig met het laten liggen van de palen dan met de rijerij. Ik zou graag nog een keer naar de Spelen gaan en dan met een goed resultaat huiswaarts keren. Om HongKong naar de achtergrond te laten verdwijnen.”
Ook zeg Vincent zich te richten op de Wereldranglijst. “Ik wil zo hoog mogelijk op de lijst komen. Mijn hoogste punt tot nu toe is 35e, maar ik denk dat ik nog wel een paar plaatsen kan opklimmen. Mijn vader heeft volgens mij ooit 21e gestaan, dus ik heb nog wat in te halen.”
 
Op eigen benen
Via Rob Eras komt Vincent in 2005 terecht bij De Margaretha Hoeve in Dinteloord. “Ik had er nog nooit over nagedacht om voor een sponsor te gaan rijden. Ik was altijd thuis, was eigen baas en deed alles samen met mijn vader. Maar een sponsor klonk ook wel aantrekkelijk. Het zou bovendien een goede stap zijn voor mijn carrière. Ik ben op gesprek gegaan en korte tijd later ben ik in Dinteloord gaan rijden.” Vincent vertelt dat het eerste halfjaar op stal moeilijk voor hem was. “Ik moest enorm wennen, had nog nooit onder een baas gewerkt. Doordat ik niet echt op mijn mond gevallen was, botsten ik en Eric Berkhof, mijn baas, wel eens. Maar na een goed gesprek was de lucht tussen ons geklaard. Inmiddels werk ik hier alweer zeven jaar.”
Vincents werkzaamheden bestaan voornamelijk uit het trainen van de paarden van Eric Berkhof en het uitbrengen van zijn paarden op concoursen. “Daarnaast proberen we een klein beetje te handelen en geef ik ’s avonds les aan een aantal lesklanten.”
 
Sinds enige tijd woont Vincent samen met zijn vriendin, Jonna. “Zij werkt hier ook op stal. Ze komt uit Zweden. Ik zag haar altijd op de concoursen, maar daarbuiten was de afstand voor ons te groot. Voor mij was het geen optie om naar Zweden te verhuizen, omdat daar niets is voor de paardensport. Niet voor mijn toekomst in ieder geval. Daarom is Jonna naar Nederland gekomen. We werken iedere dag samen en wonen hier op het terrein, zodat we dag en nacht bij de paarden in de buurt zijn. Een carrière in de paardensport is hard werken. Je moet stevig in de schoenen staan en je er honderd procent voor geven, anders kun je er nooit van leven.”