Fresh Bloemen & Planten Tuinontwerp Beet Duiken Rovers Karper Mama Wetenschap in beeld Historia GoodFood Hart voor dieren

Zenuwen van staal

Bruggen, smalle doorgangen, vreemde objecten op of naast de weg, verkeer dat langsrijdt… tijdens het maken van een buitenrit komt je paard voor heel wat uitdagingen te staan. Hoe kun je er spelenderwijs voor zorgen dat je paard bomproof wordt?
 
Tekst en foto’s: Ilja van de Kasteele

 
Wat een heerlijk gevoel, als je volkomen ontspannen met je paard buiten kunt rijden! Dat je niet bang hoeft te zijn voor auto’s, koeien of bruggen. Wat er bij onze fotomodellen Anne en Lumis zo speels uitziet, kun je met bijna elk paard voor elkaar krijgen – als je tenminste op tijd en op een veilige plek oefent. Maar voor je met een halster en een touw van ongeveer vijf meter lengte naar een oefenplaats loopt, is het verstandig om de tijd te nemen en je paard eerst in alle rust te observeren terwijl hij in de weide loopt. Elk paard heeft een individuele vluchtafstand. Sommige paarden worden al onrustig als je nog vijftig meter bij hen vandaan bent. Anderen blijven ontspannen staan, ook als je al heel dichtbij staat. Als je de vluchtafstand van jouw paard kent, weet je hoe dicht je met hem bij een mogelijk gevaar kunt komen. Denk er wel aan: je mag je paard nooit onverhoeds met gevaar confronteren, net zoals je een kind dat net leert zwemmen, niet gelijk in het diepe gooit.
 
Bij de oefeningen die je vanaf de grond uitvoert, loop je nooit direct op je paard af (bijvoorbeeld met een groot zeil), omdat je paard dan voor je zal wijken en zich mogelijk zelfs omdraait. Loop in plaats daarvan in een hoek van 45 graden op zijn schouder af. Als je je paard een bepaalde richting in wilt sturen, trek dan niet aan het touw, maar wijs je met je hand in de gewenste richting. Tik hem desnoods met de zweep in je andere hand op zijn kont, tot hij aanstalten maakt om naar voren te lopen. Stop de oefening op dat moment en begin opnieuw, zodra hij blijft staan. Wordt niet ongeduldig en dwing je paard niet. Dan zal hij namelijk snel zijn vertrouwen in jou verliezen.
 
Je paard mag nooit jouw persoonlijke comfortzone betreden of zelfs tegen je aanlopen. Maak desnoods een paar opvallende bewegingen en stuur hem onmiddellijk weg, als hij te dicht bij je komt. In het zadel is het belangrijk dat je je in elk geval de reining stop aanleert, voor je op iets engs afgaat. Begin deze oefening vanuit stilstand. Glijd met je handen langs de teugels. Pak de teugels vast en trek deze zachtjes in de richting van één van je knieën. Zodra je paard nageeft, haal je de druk weg. Oefen net zo lang tot hij met zijn neus de puntjes van je schoenen raakt. Geef dan een beenhulp aan dezelfde kant, tot je paard een wending op de voorhand uitvoert. Zo ‘koppel je de achterhand los’ en haal je de aandrijving weg. Oefen dit later ook in stap en draf. Als je paard de reining stop kent, kun je hem in alle moeilijke situaties onder controle houden.
 
Oefening 1: Schriktraining
Doel van de oefening:
Het maakt niet uit of je een buitenrit maakt of oefent in een overdekte rijhal of in de buitenbaan: je paard zal zich niet (meer) door vuilnisbakken, plastic zeilen of ‘monsters’ in de bosjes van de wijs laten brengen.
Zo oefen jij dit:
Leer je paard om met zijn angsten om te gaan. Dat betekent dat je hem moet leren om niet gelijk te vluchten voor enge dingen, maar om eerst goed te kijken naar wat het enge object eigenlijk is. Daarbij oefen je van klein naar groot. Is je paard bang voor een wapperend zeil? Oefen dan eerst met een kleine, plastic tas. Houd je paard daarvoor met je linkerhand en een loshangend touw vast. In je rechterhand houd je de plastic tas. Loop in de richting van zijn schouder en wrijf met de tas over zijn lijf. Hij mag zich daarbij gerust bewegen. Houd pas op met wrijven als hij rustig blijft staan. Spreek hem lovend toe en begin dan opnieuw. Op een bepaald moment zal je paard zijn hoofd laten zakken en zich ontspannen.
Nu komt de volgende stap: neem een plastic zeil en trek deze op een afstand van twee tot drie meter voor de neus van je paard achter je aan. Grote kans dat je paard nieuwsgierig achter je aanloopt. Laat het zeil na een tijdje los en laat je paard het zeil besnuffelen. De kans is groot dat hij – als hij de tijd en de kans krijgt – op het zeil stapt of er zelfs overheen loopt! Oefen dit onderdeel vervolgens ook onder het zadel. Belangrijk daarbij is dat je paard altijd in richting van het gevaar kan kijken. Laat de teugels losjes hangen en ga er in geen geval aan trekken.
Mogelijke problemen:
Je paard heeft geen zin om achter het zeil aan te lopen, hij loopt achteruit of draait zich zelfs om. Dan was de afstand te klein. Elk paard heeft een individuele vluchtafstand. Kijk daarom goed naar je paard in de wei: hoe dichtbij mag een ‘gevaar’ komen voor hij ervandoor gaat? Vraag iemand anders om het zeil achter zich aan te trekken. Houd in het begin de afstand iets groter dan de vluchtafstand van je paard en maak deze afstand steeds kleiner.

Oefening 2: Angst voor andere dieren
Doel van de oefening:
Je rijdt moeiteloos langs de dieren in de weides, zoals schapen of koeien. Een uit het bos springende ree maakt je paard alleen maar nieuwsgierig en zelfs blaffende honden deren hem niet.
Zo oefen jij dit:
Draai de rollen gewoon een keer om en maak van je vluchtdier een jager. Oefen dit in een veilige omgeving, niet in de buurt van een straat of op een smal, afgezet paadje. Het zou ideaal zijn als je in een wei met daaraan grenzend een wei met dieren zou kunnen rijden. Koeien, schapen et cetera hebben allen een eigenschap die je kunt benutten: ze laten zich makkelijk verjagen en komen daarna, zij het aarzelend, weer terug. Dat betekent dat je in alle rust met je paard kunt oefenen zonder dat je om de haverklap een andere wei moet gaan zoeken. Vraag iemand om je te helpen (of met een rustig paard voorop te rijden). Hij/zij gaat dan met een jas, een touw of iets dergelijks zwaaien en verdrijft op die manier de weidedieren. Je paard moet je dan natuurlijk wel eerst hebben laten wennen aan een wapperende jas of touw. Jij volgt de dieren met je paard alsof hij de dieren heeft verdreven. Wacht dan even tot de kudde weer aarzelend dichterbij komt (let wel op de vluchtafstand van je paard) en verdrijf ze dan opnieuw. Belangrijk daarbij is dat je paard in richting van het ‘gevaar’ kijkt. Dat geldt ook voor een uit het bos springende ree.
Mogelijke problemen:
De koeien springen plotsklaps op en rennen weg. Dat moedigt je paard aan eveneens te gaan rennen. Dat moet je in elk geval voorkomen. Zodra hij een aanzet doet tot rennen, gebruik je de reining stop. Zodra hij zich ontspant, stap je rustig achter de vluchtende dieren aan. Zorg er wel voor dat je paard niet gaat rennen. Anders gebruik je weer de reining stop. Hij mag overigens ook niet de andere kant op vluchten.

Oefening 3: Natte voeten
Doel van de oefening:
Je kunt niet alleen met je paard door beekjes, rivieren en door kleinere plassen lopen, maar ook eens met hem gaan zwemmen.
Zo oefen jij dit:
Paarden aarzelen vaak om het water in te gaan omdat zij niet weten hoe diep het water is en wat hen in het water te wachten staat. Als je deze oefening vanaf de grond uitvoert, mag je in geen geval voorop lopen. Je paard zou dan precies naar die plek kunnen springen waar jij staat, want daar lijkt het veilig te zijn. Stuur hem in plaats daarvan naar het water. Ga in het begin zo ver vanaf de oever staan, tot je paard zich nog steeds veilig voelt. Stuur hem tussen jou en de rand van de oever door. Als hij haast krijgt, herhaal je de oefening met dezelfde afstand tot het water. Pas als hij rustig loopt, ga je dichter bij het water staan. Op een gegeven moment zal hij met zijn hoef direct bij het water staan. Oefen nu geen druk op hem uit. Zijn nieuwsgierigheid zal sterker zijn en hij zal de eerste natte passen gaan wagen. Als je in het zadel zit, rijd je naar de oever toe. Houd halt voor je paard angstig wordt en wacht eventjes. Rijd dan vooruit. Zodra hij onzeker wordt, laat je de druk achterwege. De teugels hangen losjes, maar je moet wel voorkomen dat je paard de andere kant op kijkt of zich omdraait. Zodra hij een hoef vooruit zet, beloon je hem uitbundig. Laat hem steeds dichterbij de oever komen en uiteindelijk zal hij dan ook het water ingaan.
Mogelijke problemen:
Als je paard achteruit loopt, geef je zacht, maar beslist, beenhulpen. Zodra hij blijft staan, houd je je benen weer rustig. Herhaal de oefening vanaf het begin. Als hij lang, maar rustig bij het water blijft staan maar geen poging doet om vooruit te lopen, geef je weer lichte beenhulpen. Zodra hij een eerste stap zet, houd je je benen weer stil.

Oefening 4: Zeker in het verkeer
Doel van de oefening:
Je paard blijft rustig en ontspannen in het verkeer. Je rijdt zonder problemen langs tractoren, landbouwmachines of vrachtwagens.
Zo oefen jij dit:
Om je paard te laten wennen aan het verkeer op straat, zoek je een rustige straat met een aangrenzende weide. Rijd zo dicht langs de straat dat je paard rustig blijft. Elke keer als er een auto langskomt, laat je je paard in richting van de auto kijken en deze met zijn blik volgen. Als hij rustig blijft, kun de afstand tot de straat kleiner maken. Je kunt nu ook beginnen om de auto’s te volgen. Zodra een auto gepasseerd is (en er geen andere auto in zicht is), rijd je ‘achter de auto aan’. Daarna wacht je op de volgende auto.
Om je paard te laten wennen aan tractoren, vrachtwagens enz. ga je op een andere manier aan de slag. Vraag iemand of hij je met een tractor tegemoet komt. Geef de tractor het signaal om te stoppen, zolang jouw paard nog rustig is. Maak de afstand tot de tractor langzaam kleiner (belangrijk is dat je paard voortdurend rustig en ontspannen blijft totdat hij aan de tractor kan snuffelen). Als dit rustig en ontspannen gebeurt, komt de volgende stap: de tractor rijdt van rechts naar links en andersom langs je heen. Je paard moet het rare ding daarbij met zijn ogen en zijn lichaam kunnen volgen. Zorg er opnieuw voor dat de afstand tot de tractor kleiner wordt en dat deze dicht langs jullie heen rijdt. Als je paard rustig blijft, kun je hem in een 90 graden hoek tot de ‘rijbaan’ laten staan en ten slotte de tractor het paard ook van achteren laten benaderen.
Mogelijke problemen:
Je paard maakt een wending op de achterhand en probeert te vluchten. Dan was de afstand te klein. Probeer het opnieuw, deze keer met een grotere afstand en rijd niet te snel dichter naar de straat.

Oefening 5: Bruggen en smalle doorgangen
Doel van de oefening:
Je paard loopt elke brug over, zonder aarzelen. Hij loopt over smalle paadjes en door nauwe passages, bijvoorbeeld tussen twee auto’s door.
Zo oefen jij dit:
Simuleer een wegversmalling door op een veilige afstand tot een omheining of muur te staan. Houd je paard met een loshangend touw met je linkerhand vast en houd eventueel een zweep in je rechterhand. Vraag hem dan tussen jou en de muur door te lopen. Til daarvoor je linkerhand op en wijs hem de richting die hij moet lopen. Maak het teken eventueel iets sterker door hem met de zweep op zijn achterste licht aan te tikken. Stuur hem van beide kanten door deze vernauwing tot hij dit rustig en ontspannen doet. Stap dan dichter naar de omheining of de muur tot er maar een meter tussenruimte is. Als hij hier ook rustig doorheen loopt, oefen je dit op verschillende plekken. Leg tussen jou en de omheining/muur een zeil en later een houten bruggetje op de grond, waar je je paard overheen laat gaan. Begin ook hier met een grote afstand die je steeds kleiner maakt.
Mogelijke problemen:
Je paard is onzeker of toont geen respect en probeert jou met zijn schouder opzij te schuiven. Dat moet je in elk geval zien te voorkomen. Stel je voor dat er een luchtbel om je heen zit, waar je paard in geen geval in mag komen. Houd hem, desnoods met het bovenste deel van de zweep op zijn schouder, uit jouw veilige zone. Vergroot daarna de afstand en probeer het opnieuw.