Fresh Bloemen & Planten Tuinontwerp Beet Duiken Rovers Karper Mama Wetenschap in beeld Historia GoodFood Hart voor dieren

Beter rijden: stelling en buiging

Het is niet mogelijk om een paard te buigen zonder stelling. Je kunt daarentegen wel stelling vragen zonder te buigen. Waar dat voor nodig is? Om het paard soepeler te maken. En om je eigen balans te verbeteren, om dan nog maar niet te spreken over het trainen van de juiste spieren om voortijdige slijtage te voorkomen. Bovendien zijn stelling en buiging belangrijk voor diverse figuren in de rijbak. Wie bij de training niet op stelling en buiging let, moet niet verbaasd kijken als zijn paard zo stijf als een plank de verplichte rondjes loopt. Dit zie je vaak gebeuren bij recreatiepaarden die alleen maar buitenritten maken. Maar geen zorgen: met de juiste training kun je je paard weer recht ‘buigen’...
  
Tekst en foto’s: Gabriele Metz
  
Als je wilt weten hoe het voelt om stelling te vragen aan een paard, moet je eerst weten hoe een rechtgericht paard aanvoelt. Dat kun je heel eenvoudig testen. Van bovenaf bekeken kun je een rechte lijn van de nek van het paard tot zijn staartwortel trekken. De teugels moeten daarbij even lang zijn. Als je naar beneden kijkt, zie je beide oren van het paard, zijn manenkam en beide kaken. De been- en teugelhulpen werken samen aan een kant in, dus de rechterteugel samen met het rechterbeen en andersom. Je belast daarbij beide zitknobbels in gelijke mate.
Als je stelling van je paard verlangt, neem je de binnenteugel lichtjes aan en geef je de buitenteugel net zo ver mee. Als het paard nu zijn hoofd in zijn nek een beetje naar rechts of links draait, heb je alleen maar stelling. Daarbij mag het voorste deel van de hals een beetje mee bewegen in de richting van de stelling. De romp van het paard moet zo recht mogelijk blijven. Dat kun je met een blik naar beneden controleren.
Bij een correcte stelling is het binnenoog van het paard te zien, evenals de rand van het binnenste neusgat. Let wel: beide paardenoren moeten op dezelfde hoogte zijn, anders kantelt het paard zijn hoofd. Dat ligt meestal aan een te sterk aangenomen binnenteugel en aan een niet nageeflijke buitenteugel.
  
Stelling is een goede voorbereiding op oefeningen waarbij het rechterbeen met de linkerteugel moet samenwerken. Bij het wijken voor het been of bij de wending om de voorhand leren paard en ruiter vaak voor het eerst zijwaarts inwerkende beenhulpen te geven. Ter voorbereiding op de buiging rijd je je paard in stelling en je laat hem dus met zijn hoofd lichtjes naar rechts of links gesteld recht lopen.
  
Korter maken en laten oprekken
Een correcte buiging herken je als je paard van zijn nek tot zijn staartaanzet – over zijn gehele lengteas dus – naar rechts of links buigt. Dat is net een turnoefening, want daarvoor moet het paard aan een kant korter worden en aan de andere kant (de buitenkant) langer. De paardenhals moet daarbij gelijkmatig buigen en vloeiend overgaan in de ruglijn. Als de hals voor de schoft inknikt, is hij te sterk gebogen.
De mate van de buiging is altijd afhankelijk van de oefening die je rijdt. Op een kleine volte is die bijvoorbeeld sterker dan bij een slangenvolte. Het is niet makkelijk om een paard met buiging te rijden, omdat de ruiter niet alleen het hoofd en de hals van het paard moet controleren, maar ook zijn schouder en achterhand. Dat werkt bij een slangenvolte alleen als je diagonale hulpen geeft. En dat werkt als volgt: eerst stelt de ruiter zijn paard door een teugelhulp in de gewenste richting – bijvoorbeeld naar links. Gelijktijdig belast hij zijn linker zitknobbel sterker en legt hij zijn linkerbeen tegen de singel aan.
  
Wakende hulpen
Een echt mooie buiging krijg je alleen voor elkaar als je aan de rechterkant wakende hulpen geeft. Dat klinkt moeilijk, maar dat is het niet. De rechterteugel blijft in dezelfde positie die een stelling naar links mogelijk maakt. Door het terugleggen van het rechterbeen – ongeveer een handbreedte achter de singel – houdt de ruiter de achterhand van het paard op het spoor. Zonder die beenhulp zou de achterhand naar buiten vallen. Maar buigen is meer dan dat: het is een harmonisch samenspel van drijvende gewichts- en beenhulpen en halve ophoudingen: paard en ruiter rijden op de linkerhand. Het paard is naar links gesteld. De ruiter kan het binnenoog van het paard van bovenaf zien. Voor hij de hoek inrijdt, geeft hij een halve ophouding op de buitenteugel en bereidt hij het paard voor op de oefening. Het paard moet in tempo terugkomen zonder zijn hals naar links te laten knikken. Nu belast de ruiter de linker zitknobbel sterker en draait hij zijn hoofd en bovenlichaam mee naar links. Net alsof hij met zijn bovenlijf de richting aangeeft. Zijn binnenbeen drijft op de singel waardoor het paard met zijn achterbinnenbeen verder ondertreedt.
Het buitenbeen van de ruiter voorkomt dat het paard met de achterhand naar buiten uitzwaait. De lichtjes aangenomen linkerteugel vraagt de stelling, terwijl de begrenzende buitenteugel ervoor zorgt dat het paard stelling houdt. Zo leiden de teugelhulpen het paard tot de buiging. En na de hoek? Dan draait de ruiter zijn hoofd en bovenlichaam weer in de normale positie. Been, teugel en zitvlak werken weer aan beide zijden in.
  
Problemen en oplossingen
Veel ruiters zijn geneigd de binnenteugel te sterk aan te nemen om een duidelijke stelling te krijgen. Als je met de buitenteugel tegelijkertijd te weinig nageeft, krijg je een probleem. Het paard kantelt zijn hoofd (dat zie je als zijn ene oor lager komt te liggen dan de ander). Als het niet zo lukt zoals je had gehoopt, vraag dan iemand om hulp, geef hem een bit in zijn handen en ga zelf met de teugels spelen. De helper vertelt je wat hij met het bit in zijn hand voelt. Herhaal deze oefening net zolang tot er een evenwicht ontstaat tussen aannemen en nageven. ‘Fingerspitzengefühl’ is namelijk ook voor de buiging nodig. Dat lukt niet met een extreem naar een kant ingeknikte hals.
Als de hals voor de schoft gewoon (naar) opzij knikt, terwijl de ruglijn zo recht is als een plank, is dat geen buigen. Je mag niet gewoon het hoofd naar een kant trekken, maar je moet het paard om je binnenbeen zien te buigen. Daarvoor ga je op de binnenste zitknobbel zitten en drijf je met het binnenbeen op de singel en leg je het buitenbeen begrenzend achter de singel.
  
Tips van paardentrainer Klaus Balkenhol
- Of je paard correct rechtgericht is, kun je zelf controleren als je in stap, draf en galop op een spiegel afrijdt. Daarbij kun je heel goed zien of je paard scheef loopt of uitzwaait.
- Een andere optie is om op een pas gesleepte bodem van de rijbak op een rechte lijn te rijden. In het ideale geval zet het paard de achterhoeven op hetzelfde spoor als de voorhoeven.
- Het rechtrichten is het vijfde onderdeel van de ‘Skala der Ausbildung’. Daarvoor staan de onderdelen takt, losgelatenheid, aanleuning en impuls. Daaruit blijkt hoe moeilijk het is om je paard correct recht te richten. Dat vergt heel veel oefening…
- Hoeken, wendingen en voltes vragen meer rijkunst dan menig ruiter denkt, omdat ze alleen met de juiste stelling en de bijbehorende buiging correct gereden kunnen worden. Vaak is veel training nodig voor je deze oefeningen precies kunt uitvoeren.
- Met deze tips kun je de takt verbeteren: in stap rijden op gebogen lijnen en daarbij het paard flink door laten stappen. In draf herhalen, maar ook hierbij geldt: het paard niet haastig, maar vlot laten lopen. In galop een volte rijden en deze verkleinen en vergroten.
  
Dit moet je
… weten
- Het lichaam van een rechtgericht paard loopt in een rechte lijn vanaf zijn nek tot aan zijn staart.
- Stelling vragen is niet alleen het hoofd laten knikken achter de nek, maar ook in de halslijn te laten buigen.
- Om te kunnen buigen moet het paard de buitenkant oprekken en de binnenkant verkorten.
… doen
- Bij het eventjes naar beneden kijken, alleen de manenkam, de oren en de kaaklijn van het paard zien.
- Sluit je binnenteugel iets meer op met je vingers en geef tegelijkertijd met de buitenteugel na.
- Rijd in het begin maar een lichte buiging en pas na veel training een sterke buiging.
… voelen
- Het paard volgt met zijn achterhoeven precies het spoor van de voorhoeven.
- Het voorste deel van de hals buigt lichtjes naar binnen. De ruiter kan het binnenoog van het paard zien.
- Hals en rug vormen een harmonische lijn. Het paard zwaait niet uit naar buiten en valt ook niet weg over de schouder.
  
Tip van Annemarie van der Toorn:
Bij veel van de paarden die bij ons in training komen met problemen bij het rijden, zien we een lichamelijk probleem. Stijfheid van het paard kan een belangrijke oorzaak zijn van bijvoorbeeld bokken, zeker als dit gebeurt bij de overgang van draf naar galop. Naast buiging en stelling vinden wij het ook heel erg belangrijk dat het paard soepel is bij de thorcolumbale overgang van de rug (net onder/achter het zadel). Om dit te trainen leg je een aantal balkjes op de grond, die je in draf neemt. Vervolgens neem je cavaletti’s zodat het paard zijn achterbenen meer moet optillen. Wanneer je deze oefening doet aan de longe, kan het paard zijn rug steeds soepeler trainen.