Fresh Bloemen & Planten Tuinontwerp Beet Duiken Rovers Karper Mama Wetenschap in beeld Historia GoodFood Hart voor dieren

Springen voor beginners

De meeste paarden springen goed en graag zonder ruiter. De moeilijkheden ontstaan echter wanneer ze bij het springen hun evenwicht moeten bewaren met een ruiter op hun rug. Een paard kan alleen goed springen als er een goed samenspel is tussen hem en zijn berijder. En dat gaat – zeker in het begin – vaak niet zonder slag of stoot. ROS heeft tien oefeningen voor (beginnende) springruiters uitgezocht…
  
Oefening 1
Doel van de oefening
Je paard stapt rustig en gelijkmatig over de balken.
  
Zo rijd je deze oefening
1. Leg twee balken (1 en 4) op een afstand van ongeveer vier meter in de rijbak. Benader de balken in een rechte lijn en naar het midden toe. Let erop dat je paard gelijkmatig draaft voor je bij de balken bent, tijdens het eroverheen lopen én nadat jullie de balken gepasseerd zijn. Als de afstanden tussen de balken niet kloppen, laat dan iemand de afstand corrigeren.
2. Benader de balken in verlichte draf, ga over tot de ontlastende zit als je over de balken draaft.
3. Nu laat je iemand nog twee extra balken tussenschuiven (2 en 3) en de afstand van deze vier balken op de individuele paslengte van je paard afstemmen. Bij de meeste paarden is de afstand tussen de balken ongeveer 1,20 tot 1,30 meter.
4. Herhaal deze oefening net zo lang tot je paard rustig en gelijkmatig over alle balken loopt.
  
Tip van de expert
Op de grond liggende balken kunnen altijd wegrollen en daarmee een gevaar vormen. Vooral als je paard op een van de rollende balken stapt, kan dat erg pijnlijk zijn. Een zinvol alternatief zijn halve balken die aan een kant vlak zijn en dus niet kunnen wegrollen.
 
 
Oefening 2
Doel van de oefening
Cavaletti bevordert de kracht, soepelheid en de opmerkzaamheid van je paard. Het praktische aan deze hindernissen is de verstelbare hoogte. In de laagste stelling is de Cavaletti 15 tot 20 centimeter hoog. In medium stelling 30 tot 35 centimeter en naar boven gedraaid ongeveer 50 centimeter. Hogere balken vereisen meer kracht en concentratie van het paard. Als paard en ruiter veilig over de lagere balken draven, kun je de Cavaletti hoger (laten) draaien.
  
Zo rijd je deze oefening
Benader de reeks balken in het midden. Begin met drie Cavalletti en verhoog het aantal tot vijf. Bij deze oefening kun je de Cavaletti licht dravend benaderen en boven de balken overgaan tot de ontlastende zit. Deze oefening laat zien hoe uitgebalanceerd jouw zit is. Ga met de teugels mee naar voren in richting van de paardenmond, zodat je paard zich kan strekken.
   
Tip van de expert
Als de ruiter bij de Cavaletti zijn evenwicht verliest, kan hij met beide handen in de manen grijpen om zich snel te stabiliseren.
 
 
Oefening 3
Zo rijd je deze oefening
1. Leg twee balken aan de lange zijde van de rijbak met een afstand van ongeveer 15 meter. Voor de handverandering plaats je twee extra balken in de baan.
2. Rijd in arbeidsdraf over beide balken.
3. Dan rijd je in een boog over de derde balk.
4. Rijd andersom over de eerste beide balken.
5. Zodra je paard gelijkmatig loopt, tel je de passen die het in arbeidsdraf tussen de beide balken op een rechte lijn nodig heeft. Tel gerust hardop.
6. Rijd in verzamelde draf in een rechte lijn op beide balken af en tel opnieuw de passen. Hoeveel passen zijn er bijgekomen?
7. Draaf met langere passen over de balken. Tel opnieuw. Hoeveel minder passen had je nu nodig?
 
Tip van de expert
De passen verlengen betekent niet het tempo verhogen, maar grotere, ruimere passen maken.
 
 
Oefening 4
Doel van de oefening
Tijdens deze oefening ligt de nadruk op de lichaamshouding en het belang van het kijken naar de volgende hindernis.
  
Zo rijd je deze oefening
1. Verdeel de balken gelijkmatig in de rijbak op zo´n manier, dat je er voltes en achten over kunt rijden.
2. Draaf een complete volte over alle vier de balken.
3. Stel en buig je paard opnieuw over de middelste balk en wissel op de andere volte.
4. Rijd tussen handverandering ook een keer meerdere voltes achter elkaar in dezelfde richting.
 
Tip van de expert
Let bij de handverandering boven de middelste balk op dat je je paard om het ‘nieuwe’ binnenbeen buigt en meteen met de buitenste teugel gaat begrenzen. Kijk alvast vooruit over alle balken heen naar de volgende balk.
 
 
Oefening 5
Doel van de oefening
Je paard moet geconcentreerd en op natuurlijke wijze over het kruis springen.
  
Zo rijd je deze oefening
1. Leg de drie drafbalken op de afstand die je in oefening 1 hebt berekend en bouw op een afstand van 2 tot 2,20 meter tussen twee staanders een kruis, dat in het midden ongeveer 30 cm hoog is.
2. Rijd in een vlijtige arbeidsdraf over de balken en spring over het kruis. De afstand tussen de laatste drafbalk en het kruis kies je zo, dat je paard boven het kruis in galop overgaat. Dit vergemakkelijkt voor paard en ruiter het vinden van een gelijkmatige afsprong naar het kruis. Boven de drafbalken is de ontlastende zit handig, boven het kruis moet de ruiter met beide handen zo ver naar voren gaan, dat het paard boven de sprong niet door teugelinwerking wordt gehinderd.
 
Tip van de expert
Om het omzeilen van het kruis te voorkomen kun je rechts en links van het kruis balken als begrenzingen plaatsen. Kruizen zijn ook voor beginnende springruiters en voor onervaren paarden geschikt. Doordat ze in het midden de laagste hoogte hebben, leren ruiter en paard de hindernis in het midden te nemen.
 
 
Oefening 6
Doel van de oefening
Door voltes en voltes na de sprong over het kruis te rijden controleer je het tempo van je paard.
  
Zo rijd je deze oefening
1. Net als bij oefening 1 leg je drie drafbalkjes op de grond en op een afstand van 2 tot 2,20 meter een kruis (hoogte ongeveer 30 centimeter).
2. Rijd dan in draf over de balken en spring over het kruis. De sprong over het kruis is de eerste galopsprong.
3. Ga na de sprong op een volte afwenden of rijd een grote volte.
4. Als je meer routine hebt, kun je na de eerste galopvolte een vliegende wissel rijden en een volte op de andere hand aan laten sluiten. Of je wisselt de galop en maakt een overgang naar de draf.
  
Tip van de expert
Het is belangrijk dat je na de sprong eerst nog enkele meters verder rechtuit rijdt en dan pas op de volte gaat afwenden. Op die manier leren zowel ruiter als paard om na de spongen rechtdoor te rijden en voorkom je dat je de hindernissen scheef gaat benaderen.
 
 
Oefening 7
Doel van de oefening
De weg van het springen over het kruis naar de steilsprong wordt door deze oefening vergemakkelijkt.
  
Zo rijd je deze oefening
1. Leg de drie drafbalken op dezelfde afstand als berekend in oefening 1 in de rijbak en bouw daarachter op een afstand van 2 tot 2,20 meter een 30 cm hoog kruis. Bouw achter het kruis op een afstand van 6 tot 6,50 meter een steilsprong. De drafbalken en het kruis leiden het paard naar de steilsprong toe.
2. Rijd in arbeidsdraf over de drie drafbalken. Boven het kruis moet het paard de galop ontwikkelen. Tussen het kruis en de steilsprong rijd je een galopsprong. Kijk recht vooruit zodat je paard na de steilsprong rechtuit doorgaloppeert en je op een rechte linie kunt overgaan tot draf.
  
Tip van de expert
Ook de afstand voor de galopsprong tussen kruis en steilsprong moet op de galopsprong van je paard of pony zijn aangepast. Maak het zo makkelijk mogelijk voor je paard.
 
 
Oefening 8
Doel van de oefening
Deze oefening brengt je dichter bij het springen van een hoogte-breedte-sprong, een oxer.
 
Zo rijd je deze oefening
1. Plaats drie balken net als in oefening 1 op een voor je paard passende afstand en bouw daarachter op een afstand van 2 tot 2,20 meter een kruis met een hoogte van 30 centimeter in het midden. Bouw op een afstand van 6 tot 6,50 meter een oxer bestaand uit een kruis en een horizontale balk, die op een afstand van 30 cm daarachter ligt. De achterste oxerbalk moet 15 cm hoger zijn dan het midden van het kruis. Deze opbouwreeks kent de ruiter ondertussen al en op deze manier krijgt hij zekerheid voor de sprong over de oxer.
2. Draaf over de balken. Ga boven het kruis over in de galop. Tussen kruis en oxer rijd je één galopsprong. Kijk over alle balken en sprongen heen recht vooruit.
 
Tip van de expert
De ruiter moet zich door de breedte van de oxer niet onzeker laten maken. De galopsprong van een paard is ongeveer 3 meter lang, de 30 centimeter diepte van de oxer is daarom geen enkel probleem.
  
 
Oefening 9
Doel van de oefening
Deze reeks hindernissen bevordert de balans en het ritme. Om rustig te beginnen is het zinvol de sprongen een voor een achter elkaar aan de reeks hindernissen toe te voegen.
 
Zo rijd je deze oefening
1. Draaf over de drie grondbalken.
2. Galoppeer na het kruis in drie sprongen (tussen kruis en oxer is de afstand 13 tot 14 meter).
3. Spring dan over de oxer en rijd wederom drie galopsprongen tot de volgende oxer. Na de oxer volgt een steilsprong met een afstand van twee galopsprongen (10 tot 11 meter). Ook na de laatste steilsprong rijd je eerst nog enkele meters rechtdoor. Voor een dergelijke gymnastiekreeks heb je wel een springbak van voldoende grootte of een ruime (binnen)bak nodig.
 
Tip van de expert
Bij een dergelijke gymnastiekreeks is het zinvol de ruiter de galopsprongen hardop mee te laten tellen, om een gevoel voor de grootte en voor het ritme te ontwikkelen.
 
 
Oefening 10
Doel van de oefening
Met behulp van je zit en de inwerking kun je na de laatste sprong van deze reeks de galop en daarmee de richting bepalen.
 
Zo rijd je deze oefening
1. Deze reeks komt overeen met oefening 7. Daarnaast worden twee balken voor de handverandering toegevoegd.
2. Beslis tijdens deze oefening al op welke hand je naar de steilsprong wilt galopperen.
3. Draaf naar de hindernisreeks toe, ontwikkel boven het kruis de galop en rij één galopsprong naar de steilsprong.
4. Als je dan rechts verder wilt, dus in de rechter galop, belast je de rechter beugel iets meer boven de steilsprong en daarnaast richt je je blik boven de sprong naar rechts. Door de linker stijgbeugel sterker te belasten, bereik je op dezelfde manier de linker galop.
5. Als je paard de gewenste galop loopt, rijd je een wending en laat je hem voor de losse balk weer draven. Als je paard niet de gewenste galop loopt, rijd je gewoon rechtdoor en wijzig je de galop met een eenvoudige of een vliegende galopwissel in de gewenste galop en ga je dan pas afwenden. Voor de drafbalk laat je hem overgaan tot draf.
 
Tip van de expert
Het is belangrijk dat de ruiter bij het extra belasten van de stijgbeugel niet in de heup knikt. Als dat gebeurt, belandt het gewicht namelijk ongewenst op de tegenoverliggende zijde, waardoor het paard niet de gewenste galop loopt.