Fresh Bloemen & Planten Tuinontwerp Beet Duiken Rovers Karper Mama Wetenschap in beeld Historia GoodFood Hart voor dieren

In de groep

Is er iets mooiers dan samen met je paard van de natuur genieten? Een buitenrit in de groep vormt de ideale combinatie van veiligheid en plezier. Maar voor sommige ruiters is rijden in een groep een grote uitdaging.

Tekst: Kerstin Philipp / Foto’s: Holger Schupp


Voor je paard is een buitenrit met andere paarden een ervaring die lijkt op het ‘teruggaan naar de natuur’. Zo kan hij in het veilige gezelschap van zijn weidemaatjes van het landschap om hem heen genieten. Je kunt het kudde-instinct van je paard gebruiken om jonge, onervaren of angstige paarden te laten wennen aan het maken van buitenritten. Om hen te laten wennen aan de indrukken die zij buiten de stal zullen opdoen. Tractoren, koeien of mensen die aan nordic walking doen, komen minder bedreigend over wanneer een aantal ervaren paarden die voor jouw paard lopen, deze vreemde ‘dingen’ onverstoord voorbij lopen. Ook voor onervaren ruiters biedt het rijden in een groep de nodige veiligheid.

Het kudde-instinct gebruiken
Het kudde-instinct van je paard kan echter ook negatief uitpakken. Als een ervaren paard bijvoorbeeld schrikt van een koe en probeert te vluchten, kan dit de andere paarden stimuleren om meteen achter hem aan te rennen. Wie zich echter aan enkele regels houdt, kan het risico op onvoorziene ontsnappingen uit de groep of gevaarlijke inhaalmanoeuvres verminderen en in de omgang met zijn paard zinvol gebruikmaken van de voordelen die een groepsuitrit biedt.

Volgens paardenspecialist Johannes Beck-Broichsitter behoort het buitenrijden in een groep tot de basisopleiding van iedere ruiter. De instructeur geeft op zijn boerderij in Heist regelmatig cursussen voor ruiters die een trainerslicentie willen verkrijgen. Tijdens de cursussen gaat hij liefst de eerste dag al met alle deelnemers naar buiten. "Ik kan dan precies zien hoe de ruiters en paarden zich in de groep gedragen en waar het samenspel tussen mens en dier nog niet zo goed gaat”, legt Beck-Broichsitter uit. De toekomstige trainers kunnen hierbij belangrijke ideeën opdoen die ze later in hun eigen lessen kunnen integreren of aanpassen. Want paardrijden in open terrein biedt tal van trainingsmogelijkheden. Om het even of het gaat om een uitgestippelde trainingsrit, een gezellig zondagsuitje of een langere wandelrit – het basisprincipe is altijd hetzelfde: de groep richt zich altijd naar het zwakste ruiter-paard-team. Dat betekent dat de groep zich aanpast aan het meest onervaren of onzekerste paard of dito ruiter. Uiteraard liefst niet naar een combinatie van beide.

"Als iedereen bereid is rekening te houden met de zwakste, kun je in elke willekeurige groepssamenstelling buitenrijden”, legt Herbert Fischer uit, oprichter en leider van de Duitse Wandelruiter-Academie (DWA). Bij de indeling van de volgorde hoef je je volgens Fischer niet per se aan de ervaring van de ruiters te houden: "De leider van de kudde is niet automatisch het paard dat in de groep voorop loopt. Ik deel de snellere paarden meestal vooraan in, de langzamere achteraan. Onervaren paarden en ruiters komen altijd achter mijn eigen paarden.”

Stabiele volgorde
Ook Johannes Beck-Broichsitter houdt zich bij de indeling van de groep aan andere criteria als de rangorde. "Het is wel belangrijk dat de volgorde stabiel is, dan accepteren de paarden dit ook. Voorop loopt een zelfverzekerd paard met een ervaren ruiter die zijn paard in elke situatie onder controle heeft”, legt hij uit. "De verschillende posities kunnen uiteraard ook eens gewisseld worden. Een goede oefening voor paard en ruiter, zolang je niet overdrijft. Voor een paard is er namelijk niets frustrerender dan constant van plaats te veranderen. Bij een verkeerslicht moet hij oprukken, in galop echter niet, in draf wordt hij misschien ingehaald en op een smal padje plotseling naar de zijkant gedrongen. Dat veroorzaakt onrust in de groep en frustreert onze kuddedieren.”

Iedere ruiter moet zijn positie kunnen houden, op een lijn met de andere paarden blijven en zich op de juiste afstand van het voor hem lopende paard houden. De afstand tussen de voorganger komt overeen met een paardslengte – die mag bij onervaren ruiters en paarden niet kleiner en ook niet groter zijn. "Bij een ervaren groep kunnen de afstanden soms groter en soms kleiner worden, zonder dat de paarden daar onrustig op reageren”, zegt Johannes Beck-Broichsitter. Op brede paden kunnen de ruiters ook in paren naast elkaar rijden. "Persoonlijk vind ik het echter beter als de ruiters achter elkaar rijden”, zegt Herbert Fischer. "Als je niet de hele tijd met elkaar praat, kun je veel meer van de natuur genieten. En dat willen we toch met het buitenrijden bereiken.” Vooral in de groepsgalop moeten de paarden achter elkaar in een rij lopen. De ervaren ruiter die de groep aanvoert, heeft het tijdens de hele rit voor het zeggen. Hij spreekt echter alle details van de rit met de zwakste ruiter af.

Duidelijke commando’s
"De zwakste ruiter moet nooit het gevoel krijgen dat hij ‘overgeleverd’ is aan de commando’s van de voorop rijdende ruiter”, legt Beck-Broichsitter uit. "De ruiter die de groep aanvoert, moet echter kunnen aanvoelen wanneer hij van een bange ruiter iets meer kan eisen, zodat die zichzelf kan overtreffen.” De voorop rijdende ruiter geeft met zijn arm het teken als de groep van gang moet veranderen of halt moet houden. Het is gebruikelijk dat hij voor ‘let op’ zijn arm opsteekt en die voor een overgang naar een langzamere gang laat zakken. Het laten zakken van de uitgestoken arm tot schouderhoogte betekent volgens hem: vanuit halthouden in stap overgaan. De arm enkele keren kort achter elkaar opsteken betekent een overgang naar draf. En enkele keren met de arm zwaaien en in de richting van de route laten zakken staat voor een overgang in galop. Welke commando’s je in de eigen groep wilt gebruiken, is uiteraard een kwestie van smaak. De commando’s moeten wel altijd voor de rit worden afgesproken en zo duidelijk zijn dat er geen andere interpretaties mogelijk zijn.

Het eerste paard speelt een belangrijke rol in het voorkomen van onrust of paniek. "Dit paard is zo gelaten dat hij zich niet van zijn stuk laat brengen als er ineens een paard van achteren komt aanstormen”, benadrukt Beck-Broichsitter. "Meestal voldoet het wanneer hij met zijn staart zwiept om het paard achter hem terecht te wijzen.” Het positieve neveneffect: als het paard achter hem merkt dat zijn voorganger zich door zijn gedrag niet uit zijn evenwicht laat brengen, zal dit paard ook meer ontspannen reageren.

Onzekere of jonge paarden worden door de twee experts graag in het midden van de groep gezet, wat vooral in nieuwe, onbekende situaties zijn waarde heeft bewezen. "De voorste paarden trekken het onzekere paard mee, terwijl de achterste paarden hem aan een griezelig overkomend voorwerp quasi voorbij duwen”, legt Herbert Fischer uit. Volgens Johannes Beck-Broichsitter kun je voor de eerste buitenritten in de groep voor een jong paard beter een maatje uit zijn kudde of een paard dat hij vertrouwt, meenemen. Het helpt ook als je met hem eerst op een terrein rijdt waar je al met hem hebt gewandeld.

De groep vindt zijn ritme
Een groot voordeel van rijden in een groep, is dat zowel ruiter als paard van hun groepsgenoten kunnen leren. Een lui paard dat vaak geen zin heeft om te lopen, leert in een groep netjes mee te lopen. "Een paard zal vanzelf nooit zo ver achterblijven dat hij de andere paarden niet meer ziet”, aldus Beck-Broichsitter. "Na verloop van tijd zal de groep zijn ritme vinden en zal ook het langzame paard merken dat netjes meelopen met de groep een stuk minder vermoeiend voor hem is.” Wat meer ervaren paarden kunnen tijdens de buitenrit – eventueel met een oefening – leren om de leiding te nemen. Johannes Beck-Broichsitter adviseert hiervoor de volgende oefening: op een lange brede weg die zijdelings begrensd is, rijdt de laatste ruiter van achteren de in stap lopende groep voorbij. "Deze oefening is ook goed voor klevers en luie paarden. Als het laatste paard hen passeert en in draf naar voren rijdt, stimuleert dit hen om ook in draf naar voren te lopen”, legt Beck-Broichsitter de werking van deze ‘truc’ uit. Het kan echter ook gebeuren dat klevers of lager in rang staande paarden niet de voorop rijdende ruiter passeren. "Je laat ze dan zich op de volgende plaats invoegen en stuurt het volgende paard dat van achteren komt aandraven eveneens op de tweede plaats”, adviseert de instructeur. "Of je draaft zelf naar voren, laat de voorop rijdende ruiter langzamer worden of zelfs halt houden. Het aarzelende paard wordt op de manier naar voren gestuurd en gaat dan voorop lopen.” Voor meer beweging in de groep kan deze oefening ook worden gevarieerd. Een ruiter rijdt van achteren links aan de groep voorbij, de volgende rechts, enzovoort. De moeilijkheidsgraad kan ook worden verhoogd. De hele groep loopt dan bijvoorbeeld in stap en de laatste ruiter rijdt in galop naar de eerste plaats.

Positiewissel trainen
En als al het andere lukt: de groep rijdt in draf en de laatste ruiter rijdt naar voren. Wisselen van positie kun je op een groot terrein ook in een cirkel oefenen. De groep rijdt in galop, de laatste ruiter verlaat de formatie en rijdt in galop aan de groep voorbij. "Je moet de paarden echter heel langzaam met deze oefening vertrouwd maken, omdat ze het misschien niet vertrouwen als een paard achter hen ineens de rij verlaat”, aldus Beck-Broichsitter.

Ook de volgende oefening kun je op een groot terrein oefenen: de ruiters worden in twee even grote groepen in twee cirkels (cirkel A en B) ingedeeld. De groep loopt in stap, een ruiter galoppeert in een rechte lijn van cirkel A naar cirkel B; vervolgens wisselt een ruiter van cirkel B naar cirkel A. "Deze oefening is goed voor klevers: ze leren de groep verlaten en zien tegelijkertijd een nieuwe groep. Ook onstuimige paarden worden rustiger als ze naar de in stap lopende groep galopperen.” Als klevers de eerste cirkel helemaal niet willen verlaten, kan desnoods een tweede ruiter meelopen.

En als alles lukt, veroorzaken ook de ‘oefeningspelletjes’ die de vader van Johannes Beck-Broichsitter heeft bedacht, geen problemen meer: hij loofde altijd een prijs uit voor de ruiter die als laatste aan het eind van een galoproute arriveerde. Uiteraard mocht er alleen in galop worden gereden. "Dan zie je hoe goed de paarden op de hulpen reageren”, zegt Johannes Beck-Broichsitter. "En als je het goed deed, dan kon je ook de andere ruiters met een trucje aftroeven door eerst wat sneller te worden om vervolgens totaal relaxed en langzaam door de finish te rijden.”