Fresh Bloemen & Planten Tuinontwerp Beet Duiken Rovers Karper Mama Wetenschap in beeld Historia GoodFood Hart voor dieren

Dressuur in de natuur - 10 oefeningen

Om afwisseling in je training te houden, kun je regelmatig met je paard een buitenrit maken. Behalve gezellig rondstappen, draven of galopperen, kun je in de natuur ook een hoop oefeningen doen, zoals zigzaggen, springen over natuurlijke hindernissen of bergafwaarts rijden. ROS verzamelde tien leuke oefeningen voor in de natuur.

Tekst: Inga Dora Meyer / Foto’s: Holger Schupp


1. Gelijkmatige rondjes
Voor een optimale oefening in de buitenlucht kun je eenvoudig een volte op een vlakke, grote weide aanleggen. Op de volte loopt een paard namelijk over zijn lengteas gebogen. De achterbenen treden in het ideale geval in het voetspoor van de voorbenen. Dit betekent dat noch de voorhand van het paard noch zijn achterhand buiten de cirkel treden. "Bij het rijden van voltes op een weide heb je, in tegenstelling tot het rijden in een rijhal of rijbak, geen begrenzing. Enerzijds is dat handig, omdat je met een jonger of wat stijver paard ook grotere voltes kunt rijden. Anderzijds ontbreekt de optische begrenzing van de rijhal”, aldus westernruiter Regina Käsmayr.
Worden je voltes steeds kleiner? Geef je paard dan een zithulp en wijs hem met je binnenbeen de weg terug naar de cirkel. Mochten je cirkels eerder op eieren lijken, zoek dan een boom of een struik als middelpunt, ter oriëntatie. "Wanneer dat niet voldoende is, kun je de grens van de cirkel ook met takjes markeren”, aldus Käsmayr. Je weet dat je cirkel pas echt rond is als je voelt dat de gebogen lijnen steeds gelijk blijven. Als je paard naar binnen of buiten dreigt te vallen, kun je namelijk steeds de verandering in het evenwicht van de je paard voelen.

2. Slangenvoltes tussen de bomen

Door het rijden van slangenvoltes rondom de bomen in het bos, wordt je paard lekker soepel. Bovendien wordt zijn nageeflijkheid op deze manier versterkt. Je moet je paard bij het rijden van slangenvoltes daarom consequent in stelling brengen. Met een klein beetje stelling kun je deze oefening ook gebruiken om je paard beter op je beenhulpen te laten reageren. Hetzelfde geldt voor je zithulpen.
Stelling en buiging zijn bij deze oefening niet relevant, je paard loopt braaf een soort van boomparcours. "Rijd deze oefening in een niet al te dicht bos”, raadt Regina Käsmayr aan. Begin op minstens drie meter afstand van de eerste boom en rijd dan met een gebogen lijn op de volgende boom af. Tussen deze twee bomen stel je je paard kort een paardlengte recht en vervolgens rijd je verder naar de nieuwe bocht. "In principe rijd je dus steeds halve voltes met een kort recht stukje ertussenin”, verduidelijkt Käsmayr. Mocht de afstand tussen de bomen steeds veranderen, dan pas je de voltes hierop aan door deze kleiner of groter te rijden.

3. Lekker zigzaggen
Je kunt je paard gehoorzaamheid leren op een vlakke, iets bredere veldweg. Hoe goed luistert hij naar je beenhulpen? Reageert hij goed op voorwaarts-zijwaarts drijvende hulpen? Probeer eens om je paard onder een hoek van 45 graden te laten lopen. Of probeer eens een kwadraat te rijden en dit steeds te vergroten en te verkleinen. Je paard loopt daarbij in een voorwaarts-zijwaartse beweging van de rechterkant van de weg naar de linkerkant en weer terug. Hij wordt daarbij heel licht tegen de bewegingsrichting gesteld. Als je wilt dat je paard voor je linkerbeen gaat wijken, zet je dit been in op het moment dat je paard zijn linker achterbeen gaat optillen. Geef daarbij een eenzijdige gewichtshulp om je paard duidelijk te maken wat je van hem wilt. Jouw rechterbeen voorkomt dat hij met zijn achterhand uitvalt. Met de linkerteugel zorg je voor een lichte stelling terwijl je de rechterteugel zover naar voren meegeeft, zodat je paard ook echt stelling kan nemen.

4. De berg op
Bergop lopen is voor een paard net zoiets als bodybuilding voor de mens. "Hij moet zich veel meer inspannen om de heuvel op te lopen en zijn lijf veel beter coördineren dan op een vlak terrein”, aldus Regina Käsmayr. De achterhand moet krachtig naar voren grijpen. Wie een paard heeft dat altijd met zijn hoofd omhoog loopt, heeft veel baat bij een dergelijke bergopwaartse rit. Immers, de meeste paarden gaan automatisch met hun hoofd en hals omlaag en lopen in een gestrekte houding. Zorg ervoor dat je bovenlichaam lichtjes naar voren buigt om zo de paardenrug te ontzien. Wat het tempo betreft, vlakke heuvels kun je het best in stap beklimmen, lichte stijgingen in draf en echt steile heuvels in galop met ‘schwung’.

5. Soepelheid en balans

Licht glooiende heuvels zijn ideaal voor de soepelheid van je paard en voor zijn balans. Als je evenwijdig aan de heuvel rijdt, bevorder je de opbouw van zijn rugspieren. "Als je parallel aan de stijging galoppeert, is de binnenhand altijd de hand die naar de stijging wijst”, legt Käsmayr uit. Zorg ervoor dat je paard altijd in een passende handgalop loopt. Als hij namelijk op de hand van de hellende kant galoppeert, kan hij makkelijk uit balans raken.
Kies voor jullie eerste keer een heuvel met een lichte helling. En galoppeer vooral niet op nat gras of een glibberige ondergrond! Een heel leuk voordeel van deze oefening is dat paarden die het liefst galopperen, worden gemotiveerd om de ietwat minder geliefde driekwartsmaat te accepteren.

6. Natuurlijk trainingsparcours

In open terreinen en vooral in het bos liggen vaak takken of zelfs kleine boomstammen op je pad. Maak daar gebruik van door deze obstakels te benutten als een natuurlijk trainingsparcours. Tijdens een buitenrit kom je vaak op paden met een ondergrond die de zintuigen van je paard prikkelen: bladeren, stenen, naalden en wortels. "De verschillende soorten grond activeren verschillende hersendelen van het paard, omdat er constant nieuwe prikkels overgebracht worden”, licht Regina Käsmayr toe. Je paard wordt attenter wanneer hij kennismaakt met die verschillende ondergronden en zet zijn hoeven zekerder neer. Let op: in de lente als de ondergrond vaak drassig is en de paarden de lente in hun bol krijgen, kun je bijvoorbeeld beter niet door het kreupelhout rijden.

7. Tempowisselingen
Regelmatige tempowisselingen bij een buitenrit zijn voor je paard een goede krachttraining. Hij moet namelijk steeds weer zijn achterhand activeren. Vooral op rechte paden houd je je paard daarmee attent. Begin met een rustig staptempo als basis. Zorg ervoor dat je paard steeds grotere passen maakt. Ga dan over naar draf en galop en wissel steeds van gang. "Belangrijk daarbij is dat je paard ruim loopt, maar toch zijn oorspronkelijke tact houdt”, aldus Regina Käsmayr. Als hij te snel wordt, breek je de oefening af en breng je hem weer tot rust. Probeer het dan nog eens. Als je paard tot de gemoedelijke types behoort, activeer je hem met een versneld tempo bergop.

8. Halt houden en achterwaarts
Als je bergaf rijdt, laat je paard dan eens halt houden. Hij zal daarbij zijn achterhand verder onder zijn lichaam zetten. Geef nu de correcte hulpen om een paar stappen achterwaarts te lopen. Begin met hooguit drie tot vier passen. Als dat goed lukt, kun je steeds weer een stukje voor- en dan weer achterruit rijden, als een zogenaamde ‘schommel’. "Een belangrijke voorwaarde hiervoor is wel dat je paard op een vlak terrein veilig achterwaarts stapt”, aldus Käsmayr.
Begin eerst bij een lichte glooiing, anders kan het gebeuren dat je paard de vermoeiende oefening langs een steilere heuvel weigert. Als je paard een pas zijwaarts maakt, controleer dan je hulpen nog eens, want alleen als je recht zit kan je paard ook echt recht achteruit lopen.

9. Overgangen
Overgangen van stap naar draf of van draf naar galop kun je prima oefenen als er bijvoorbeeld hoge bomen langs de kant staan of wanneer er opvallende boomstronken liggen. Lange veld- of bospaden zijn uitermate geschikt voor deze oefening. "Kies voor de eerste overgang een moment waarop alles past: je paard loopt ontspannen en tactzuiver en je hebt een fijne verbinding met de paardenmond”, adviseert Regina Käsmayr. Als dat goed gaat, kun je de overgangen naar een hogere of lagere gang rijden.
Heb je een paard met een beetje pit, eis dan niet meteen perfecte overgangen na de warming-up. Een langere draf of een gecontroleerde galop is voor dit soort paarden ideaal. Is jouw paard daarentegen een luiwammes, houd hem dan wakker door veelvuldig overgangen te vragen. Belangrijk daarbij is dat je elke keer een andere plek kiest. "Je paard reageert anders niet op de hulpen, maar voert de oefeningen alvast vanzelf uit”, licht Käsmayr toe.

10. Bergafrijden

Zoek voor de eerste keer een vrij vlakke heuvel die je in stap bergaf rijdt. Belangrijk daarbij is dat je je paard voldoende teugel geeft. "Maar ook niet teveel”, aldus Käsmayr. Bij licht glooiende heuvels is het zelfs zinvol om je paard aan de teugel te stellen zodat hij zijn achterhand vrij ver onder zijn zwaartepunt zet en zijn rug welft. Op die manier kun je ook voorkomen dat je paard er als een gek vandoor gaat.  
Hoe steiler de heuvel, hoe langer de teugel. "Stijl naar beneden rijden heeft niets meer te maken met het voorwaarts-neerwaarts rijden in de klassieke zin, het gaat meer om gehoorzaamheid en coördinatie”, vindt Käsmayr. Hoe steiler de heuvel, hoe verder je bovenlichaam naar achteren moet neigen. Als je paard op weg naar beneden te snel loopt, laat je hem met een duidelijk commando halt houden. Daarbij moet hij zijn gewicht naar zijn achterhand brengen. "Als hij eenmaal begrepen heeft hoe hij zijn gewicht moet gebruiken, kan hij ook rustiger naar beneden lopen”, aldus Käsmayr. Als je paard niet naar beneden wil, is het een goede oplossing om hem eerst aan de hand te leiden. Blijf standvastig en laat hem rustig halt houden. Gebruik bij een angstig paard nooit sporen of een zweep!