Fresh Bloemen & Planten Tuinontwerp Beet Duiken Rovers Karper Mama Wetenschap in beeld Historia GoodFood Hart voor dieren

Aanleuning omvat meer dan het aannemen van het bit

Aanleuning is een veelgebruikt begrip in de paardensport. Het is de situatie waarin de ruiter lekker ontspannen op zijn paard zit met een licht contact en waarbij het paard soepel voorwaarts loopt. Het paard reageert goed op de hulpen van de ruiter. Dat klinkt prachtig, maar hoe bereik je de juiste aanleuning?
  
Tekst: Inga Dora Meyer / Foto’s: Ilja v.d. Kasteele, Holger Schupp
 
Zowel de mond als de tong van het paard zijn uiterst gevoelige plekken, die een belangrijke functie vervullen. De mond van het paard vervangt in feite zijn handen. Hij voelt ermee, grijpt, bijt en mag er graag liefdevol mee knuffelen. Dat zou elke ruiter in zijn hoofd moeten houden voordat hij in het zadel stapt en de teugels aanneemt. De teugels zouden fluisterend met het paard moeten communiceren en niet schreeuwend. Zo geven goed gereden paarden zich vol vertrouwen over aan de handen van hun ruiters en zijn ze altijd bereid om op de zachtste teugelinwerking te reageren. Paarden die met dwang in aanleuning worden gereden, zullen nooit correct voorwaarts-neerwaarts kunnen lopen. Het paard zoekt de aanleuning, de ruiter moet deze toestaan. Maar hoe loopt een paard aan de teugel, zonder dat je eraan hoeft te trekken, vraag je je misschien af? En waarom moet hij zo nodig voorwaarts-neerwaarts strekken? De antwoorden op deze vragen geeft dierenarts en auteur Dr. Gerd Heuschmann.
  
Voordat je je gaat bezighouden met een correcte aanleuning, is het verstandig een loslopend paard in de manege of in de wei te observeren. Wat zie je? Een vierhoever die zijn hals als een balanswerktuig gebruikt en met een trots hoofd en een naar voren gestrekte neus draaft of galoppeert? Als een ruiter met zijn schone zeventig of tachtig kilo op de rug van dit paard plaatsneemt, is deze houding op den duur schadelijk voor het dier. Een paard is namelijk niet geboren om ons mensen te dragen, al heeft het dier zich in de loop der jaren wel aan ons aangepast. In de natuur heeft hij zijn stuwkracht nodig, om in geval van nood snel te kunnen vluchten. Onder het zadel daarentegen heeft het paard juist draagkracht nodig, om geen extra schade op te lopen. “Wij brengen onze paarden uit hun natuurlijke balans”, licht Heuschmann toe, “en die balans moet je bij het rijden herstellen. Dat bereik je met behulp van tact, ontspanning en aanleuning.” Voorwaarts-neerwaarts rijden kun je pas als het paard tactzuiver loopt. “Belangrijk is ook dat hij innerlijk en uiterlijk ontspannen is en een correcte aanleuning heeft met de neus net vóór de verticale lijn. Hij moet het bit aannemen, ontspannen kauwen en in de hand worden gesteld, zodat de ruiter een ontspannen verbinding voelt met de paardenmond”, aldus de dierenarts. Ook een ontspannen paardenrug is belangrijk, want alleen een ontspannen rug heeft veerkracht. Die kun je voelen als je paard je helpt om goed te zitten en je de kans krijgt om hem aan te drijven. Alleen dan werken de spieren van de hals, rug en ledematen hand in hand. Ze spannen aan en ontspannen gelijkmatig. “Een correcte aanleuning is de basis, zogezegd de werkbasis, waarop de houding van de strekking zich opbouwt”, licht de expert toe.
 
Zachte aanleuning
Hoe lukt het om een zachte aanleuning te krijgen? Je moet ervoor zorgen dat je het paard met voorwaarts drijvende beenhulpen in de diverse gangen ‘voor je’ hebt. Je moet steeds een andere gang kunnen rijden, zonder dat je veel druk hoeft uit te oefenen. Tegelijkertijd belast je je zitbeenknobbels sterker. Je moet je handen onafhankelijk van je lichaam kunnen bewegen. Daardoor volgen ze de ‘ja-knik’-beweging van het paard, een bepaalde heen en weer gaande beweging van de paardenhals die onvermijdelijk doorwerkt in je handen.
Als je je deze beweging eigen hebt gemaakt, kun je de teugel voor een kort moment iets steviger aannemen. Als dat niet voldoende is, draai je je handen lichtjes naar binnen. En als dat nog steeds niet voldoende is, kun je je onderarmen een beetje naar achteren brengen. Het paard loopt dan eventjes tegen je teugelhand. Belangrijk is dat je daarbij met een heel lichte impuls begint en alleen dan dieper gaat inwerken als de gewenste reactie, namelijk een sterker aannemen van het bit, uitblijft. Als je je paard dan niet met gevoel verder drijft, zal hij misschien zelfs stilstaan. Als je echter kuit-, teugel- en gewichtshulpen correct gebruikt, motiveer je je paard om zijn hals- en rugspieren te strekken. De rug welft zich en er ontstaat een lichte verbinding tussen de paardenmond en de ruiterhand.
“Als je het gevoel hebt enkele kilo’s in handen te hebben, is de aanleuning te sterk. Je mag maar een paar gram gewicht in je handen hebben”, aldus Heuschmann. Maar uitzonderingen bevestigen de regel: stijve of vastzittende paarden hebben in het begin vaak een iets sterkere aanleuning nodig. Dat is hetzelfde als bij het gebruik van een stijve zweep. Je hebt meer druk nodig om hem te buigen. Die versterkte aanleuning krijg je door meer te drijven, maar niet door een constante druk op de teugels te houden. Je mag nooit het doel uit ogen verliezen: een lichte verbinding opbouwen.

Vergeet niet de teugel weer na te geven, anders trek je je al gauw vast aan de teugel – en daarmee verdwijnt de aanleuning. Je geeft na door beide handen in een vloeiende beweging naar voren te brengen, zodat het paard zijn hals kan strekken. Maar ook daarbij geldt dat overdaad schaadt. Op dat moment ‘springt’ de teugel, de verbinding met de paardenmond raakt daarmee voor korte tijd onderbroken. Als je de teugels dan weer aanneemt, voelt je paard een korte ruk in zijn mond. Dat is niet prettig en dat is niet de bedoeling. Een harmonisch samenspel van drijven, aannemen en nageven is belangrijk.
Kortom: je verhoogt de voorwaartse drang met je gewichts- en kuithulpen. En je vangt deze ‘schwung’ weer op door de teugel met beide handen iets aan te nemen. Pas dan komt de volgende stap: het veranderen en de vorming van de houding van je paard: het strekken.
 
TIP van Lisanne Thomas:
Het bereiken van de juiste aanleuning kan zowel met als zonder bit. Het teugelcontact komt op een andere plaats binnen dan zijn mond, maar heeft met de juiste combinatie van hulpen hetzelfde effect: namelijk de ontspanning van kaak- en nekgewricht en het verlengen van de bovenlijn, waardoor de passen ruimer worden.

Strekken
De teugels laat je langzaam door je handen glijden waardoor het paard gemotiveerd wordt om zijn hals voorwaarts-neerwaarts te strekken. Daarbij moet de hoek van hals en nek zich openen en de neus moet altijd voor de verticale lijn blijven. Zo behoud je een zachte aanleuning. Een té losse teugelverbinding is verkeerd. “Geen enkel paard toont van begin af aan een correcte strekkingshouding”, aldus Heuschmann. “Dat moet hij leren en daarvoor moet je werken. Dit gaat in kleine stapjes tot het paard zijn hals naar de grond uitstrekt.” In stap gaat dat heel goed als je de teugel aanneemt, waarmee het paard met een correcte aanleuning rijdt en dan weer ‘het diepe instuurt’. Je mag dit wisselspelletje gerust vaak herhalen, tot je paard zich soepel laat opnemen en strekken. Dit moet je gewoon blijven proberen.
Ook in draf verruim je het raamwerk van je paard. De vierhoever moet zijn hals vanaf de schoft strekken, zodat de lange rugspier zich op een passieve manier kan verlengen. “Maar let wel: je paard mag niet zijn ‘schwung’ of zijn balans verliezen. Hij mag ook niet voorbij de voorhand lopen of uit elkaar vallen. Dit zijn de typische fouten die bij een strekkingshouding kunnen ontstaan. Wie zijn paard in een drietact voorwaarts-neerwaarts kan rijden, is een behoorlijk goede ruiter. Dat geldt natuurlijk ook voor een paard dat dit kan.”
Een andere heel typische fout is de zogenaamde ‘rollkur’. Dit zie je vaker in de paardensport. “Het paard loopt achter de teugel”, aldus Heuschmann. “Veel ruiters denken dat dit zo hoort! Echter, bij het strekken moet de hals optisch langer worden en alleen dan volgt de rugspier.”
 
Een paard dat zich gaat opkrullen heeft een overspannen rugspier. De strekking wordt met de hand afgedwongen en het paard raakt zo verstrikt in een verstarde houding van de hals. “Ruiters proberen op deze manier de rugspier met dwang te strekken. Dit leidt echter tot overspanning en tot de bekende, maar foute zweefpassen. Het paard stopt hierbij de beweging al in de lucht, omdat hij zijn benen, vanwege de verkrampte rugspieren, te weinig naar voren kan uitslaan”, benadrukt Heuschmann.
Je moet deze overspanning tegenwerken en een positieve spanning opbouwen. “Vergelijk het met een danser. Om een vlotte rumba te kunnen dansen heeft de danser een bepaalde lichaamsaanspanning nodig en die moet positief zijn. Als dat afgedwongen wordt, verandert aanspanning in overspanning en kun je de soepele dansbeweging wel schudden”, licht de dierenarts toe.
Een overspannen rugspier is helaas slechts het begin van de gezondheidsproblemen van het paard. Als paarden duurzaam aan het opkrullen (de hyperflexie c.q. rollkur dus) worden onderworpen, heeft dat een negatief effect op de hele biomechanica van het paard. Dus: aanspanning contra overspanning. Strekking contra opkrullen. Maar hoe lang en hoe vaak moet mijn paard voorwaarts-neerwaarts lopen? De reactie van de dierenarts: “De spieren bepalen de tijdsduur.”
Bij de cavalerie gold vroeger: jonge paarden worden om de vijf tot zes minuten gestrekt gereden, oudere paarden om de twaalf minuten. “Ik zou het paard zich laten strekken als het een mooie aaneenschakeling van deze tegenstelling heeft getoond, maar ongeveer vijftien minuten zijn meer dan voldoende. Bij oudere paarden kun je de tijd tussen een relatieve oprichting en de strekking geleidelijk verlengen. Dit verschilt van paard tot paard”, licht Heuschmann toe.
Probeer het gewoon zelf eens uit: neem een gewone anderhalve literfles water uit de supermarkt in je hand en strek je arm uit. De fles wordt met de minuut zwaarder, wedden? Als je deze oefening overdrijft, krijg je kramp, met als gevolg pijn. De spieren van het paard reageren net zo, als je deze constant in een bepaalde houding dwingt. Op gegeven moment wordt je arm slap en doet hij pijn. Als je deze houding echter af en toe verandert, dan kun je de waterfles veel langer in deze houding vasthouden. “Denk de volgende keer dat je gaat rijden even aan deze test. Laat je paard regelmatig in een ontspannen gestrekte houding lopen”, adviseert Dr. Gerd Heuschmann.

Verkeerde en correcte aanleuning van het paard
Hoe een correcte aanleuning moet zijn en waarom een te diepe stelling van de hals schadelijk is, maar soms zinvol lijkt voor correctiedoeleinden.

Je spreekt van aanleuning, zodra het paard het bit aanneemt. Door de verhoogde stuwkracht brengt hij zijn achterhand dieper onder het zwaartepunt. Het paard welft daarmee zijn hals en toont zich op die manier nageeflijk. Zo vormen zijn voorhoofd en neus (bijna) een verticale lijn. Wie geen rekening houdt met een veerkrachtige rug, toomt het paard met de teugels alleen maar iets in. Grove teugelinwerking leidt tot ‘hyperflexie’ (foto links). Daarbij wordt de hals van het paard overstrekt, waardoor de rug geen draagkracht meer heeft. Let wel: een te lage stelling van de hals betekent niet automatisch een ‘rollkur’ (= opkrullen). Je moet daarbij naar het hele paard kijken. Paarden die gecorrigeerd moeten worden, moeten soms dieper gesteld worden, om de rug te kunnen laten veren. Want pas met een verende rug krijg je de juiste aanleuning en later ook de strekkingshouding.

TIP van Lisanne Thomas:
Om je handen onafhankelijk te leren dragen, vul je twee mokken tot een halve centimeter onder de rand met water. Loop met de mokken in je handen rechte en gebogen lijnen, zonder water te morsen. Dit doe je door je knieën, heupen, onderrug, schouders en ellebogen te ontspannen en soepel te laten veren.